“Over vijf minuten gaan we weg.”
Voor veel mensen is dat een duidelijke boodschap. Maar voor sommige dyslectische kinderen zegt vijf minuten verrassend weinig. Is dat genoeg tijd om nog even iets af te maken? Kun je nog snel naar boven? Of moet je eigenlijk nu al je schoenen aantrekken?
Veel dyslectische kinderen – en volwassenen – herkennen dat tijd lastig te voelen en in te schatten is. Ze weten prima hoe laat het is en kunnen vaak gewoon klokkijken, maar hoeveel tijd iets kost of hoeveel tijd er voorbij is gegaan, is een ander verhaal.

Tijd is behoorlijk abstract

Een tafel kun je zien. Een kilometer kun je afleggen. Maar een minuut?
Tijd kun je niet vastpakken of zien. Je moet als het ware een intern gevoel ontwikkelen voor wat vijf, tien of dertig minuten betekent.
Juist dat kan voor sommige dyslectische kinderen lastig zijn. Dyslectisch denken is vaak sterk visueel en gericht op beelden, verbanden en het grotere geheel. Tijd daarentegen vraagt veel van volgorde, automatisering en ordening.
Denk maar aan begrippen als:
eerst – daarna – straks – gisteren – morgen – over tien minuten – een half uur geleden.
Je moet niet alleen begrijpen wat deze woorden betekenen, maar ze ook op de juiste plek in een tijdlijn kunnen zetten.

“Ik dacht echt dat ik nog tijd had”

Een kind moet om 8.15 uur vertrekken. Het is 8.00 uur en er moeten nog schoenen aan, een tas worden gepakt en tanden worden gepoetst.
Vijftien minuten. Dat moet makkelijk lukken, toch?
En ineens is het 8.17 uur.
Dat kan overkomen als treuzelen, slecht plannen of niet op de tijd letten. Maar het kind kan zelf oprecht het gevoel hebben dat er nog genoeg tijd was.
Het probleem zit dan niet in het kennen van de kloktijd, maar in het inschatten van tijdsduur.
Hoe lang duren vijf minuten eigenlijk? Hoeveel dingen kun je in een kwartier doen? En hoeveel tijd moet je reserveren voor iets wat je nog nooit eerder hebt gedaan?

Waarom kan tijd inschatten lastiger zijn?

Er is niet één verklaring en dit geldt zeker niet voor iedere dyslect. Wel zijn er verschillende kenmerken die een rol kunnen spelen.

Informatie verwerken kost soms meer tijd.
Vooral bij talige taken kan een dyslectisch brein meer verwerkingstijd nodig hebben. Een opdracht lezen, begrijpen wat er wordt gevraagd en bedenken wat je moet doen, kost dan al tijd voordat je daadwerkelijk begint.

Automatiseren kan lastiger zijn.
Veel dagelijkse handelingen worden door herhaling bijna automatisch. Ook tijdsinschatting ontstaat voor een deel door ervaring en automatisering: dit duurt ongeveer vijf minuten, dat ongeveer een half uur. Wanneer automatiseren minder vanzelfsprekend gaat, kan het moeilijker zijn om zo’n intern gevoel voor tijd op te bouwen.

Volgorde vraagt aandacht.
Plannen betekent eigenlijk dat je vooruitkijkt en verschillende stappen in de juiste volgorde zet: eerst dit, daarna dat en vervolgens moet ik daar zijn. Dat vraagt overzicht én een inschatting van de tijd die iedere stap kost.

Het werkgeheugen kan behoorlijk vol raken.
Wanneer je tegelijkertijd moet onthouden wat je moet doen, in welke volgorde én hoe laat je klaar moet zijn, wordt er veel gevraagd van het werkgeheugen. Zeker wanneer een taak al veel concentratie vraagt, kan de klok gemakkelijk naar de achtergrond verdwijnen.

En dan komt er ook nog tijdsdruk bij

“Je hebt nog tien minuten!”
Zo’n opmerking is bedoeld om te helpen, maar kan juist extra druk veroorzaken.
Onder tijdsdruk moet een kind niet alleen de taak uitvoeren, maar ondertussen ook nadenken over hoeveel tijd er nog is. Die extra mentale belasting kan ervoor zorgen dat iets juist minder soepel gaat.
Een kind dat zonder tijdsdruk prima weet wat het moet doen, kan daardoor ineens blokkeren, fouten maken of het overzicht verliezen.

Maak tijd zichtbaar

Juist omdat tijd zo abstract is, kan het helpen om tijd zichtbaar en concreet te maken.
Zeg bijvoorbeeld niet alleen:
“Over tien minuten gaan we weg.”
Maar maak duidelijk wat die tien minuten betekenen:
“Je hebt nog tijd om je schoenen aan te doen en je tas te pakken. Daarna vertrekken we.”
Een visuele timer, aftelklok, planning met afbeeldingen of een vaste volgorde van handelingen kan ook helpen. Zo hoeft een kind tijd niet alleen te voelen, maar kan het die ook zien.
Ook helpt het om samen regelmatig vooraf in te schatten hoe lang iets duurt en achteraf te kijken hoeveel tijd het werkelijk kostte. Niet als test, maar als manier om steeds beter gevoel voor tijd te ontwikkelen.

Niet ieder dyslectisch kind heeft moeite met tijd

Het is belangrijk om dyslexie en moeite met tijdsbesef niet één op één aan elkaar te koppelen. Dyslecten verschillen onderling net zo veel als andere mensen.

Maar wanneer een kind steeds te laat begint, denkt dat iets “maar vijf minuutjes” duurt of compleet vergeet hoe laat het is wanneer het ergens in opgaat, kan het waardevol zijn om verder te kijken dan:

“Je moet gewoon beter op de tijd letten.”
Misschien is tijd voor dit kind simpelweg minder vanzelfsprekend.
En dan helpt harder wijzen op de klok meestal niet. Tijd zichtbaar, voorspelbaar en concreet maken vaak wel.

Herken je dit?

Is “ik kom zo!” bij jullie thuis ook een heel rekbaar begrip?
Of denkt jouw kind regelmatig dat iets vijf minuten duurt, terwijl er ondertussen een half uur voorbij is?
Praat er eens over. Juist door samen te ontdekken hoe jouw kind tijd ervaart, kun je zoeken naar manieren die passen bij zijn of haar manier van denken.