**//sticky ads code//**

Tijs is een echte dierenvriend. Hij is gek op honden en katten en vraagt vaak om een huisdier. Zijn troef op dit moment is dat hij geen broertje of zusje heeft, dus een kat of hond is toch niet te veel gevraagd? Hij vergeet alleen maar even voor het gemak dat hij allergisch is voor honden- en kattenharen. Daarnaast wil ik een harig dier écht niet in huis. Drie jaar geleden zijn we al overstag gegaan en als compromis kreeg ons kind twee goudvissen. De vissen leven nog, dankzij de goede verzorging van Tijs.

Uiteindelijk besluiten we met zijn drieën dat Tijs konijntjes krijgt. Wel buiten en twee exemplaren. Want één beestje in zo’n hok  vinden we zielig. Ook zijn we het er over eens om ze niet te kopen in een dierenwinkel, maar om bij de konijnenopvang langs te gaan.

Tijs is vanaf dat moment alleen maar bezig met namen verzinnen voor zijn konijntjes. Namen als ‘Pluisje’, ‘Knabbel en Babbel’, ‘Hangoor’ en  ‘Snuffie’ passeren de revue en worden in een keurig handschrift (hij kan het dus wel!) op een groot vel papier geschreven. Wanneer ik opper om er eentje ‘Flappie’ te noemen krijg ik een kwade bik van mijn zoon, want hij weet écht wel wat er met Flappie gebeurd is.  De hele week worden er namen bedacht en opgeschreven. Dit geeft veel onrust bij Tijs. Hij wordt er zenuwachtig van.

‘Weet je, Tijs’, zeg ik, ‘misschien kun je het beste wachten met de definitieve namen als je de konijntjes ziet die je graag wilt hebben. Misschien heeft eentje wel een wit vlekje op zijn vacht, dan kun je hem bijvoorbeeld  ‘Vlekje’ noemen.  Soms komen de namen dan vanzelf. Dat hadden papa en mama ook met jouw naam. We vonden heel veel jongensnamen mooi en konden ook niet kiezen. Tot we jou zagen en toen wisten we: Jij bent onze Tijs!’

Mijn kind kijkt me met grote ogen aan: ‘Echt waar? Had ik ook anders kunnen heten dan?’
Hij vindt het een goed plan en de rust is tijdelijk teruggekeerd.

Op de kijkdag is Tijs in alle staten en roept om het kwartier of het al tijd is om naar de opvang te gaan. Wanneer we dan eindelijk in de grote ruimte lopen, zien we tientallen hokken met rennende en springende konijnen. De een is groot, de ander klein, de een heeft kale plekken en een ander heeft een glanzende vacht. Tijs staat stil en er vormt een grote frons op zijn voorhoofd.
‘Wat is er schat?’ vraag ik.
‘Ik weet niet welke konijnen ik moet kiezen’, zegt hij met een benauwd stemmetje.
‘Ik vind het zo zielig voor de konijnen die achterblijven en dat niemand die wil hebben.’

Hij haalt diep adem en gaat de hokken langs. Af en toe blijft hij staan en aait de beestjes. Dan.. Bij een van de laatste hokken zien mijn man en ik iets gebeuren tussen Tijs en twee konijnen. Ze laten zich aaien en snuffelen nieuwsgierig aan zijn hand. Tijs gaat voor het hok zitten en de blik in zijn ogen zegt ons genoeg: De konijntjes hebben hun baasje gevonden.

Het zijn een mannetje en een vrouwtje die nog maar een week met elkaar opgescheept zitten. Ze zitten nog in hun wenperiode wat in totaal zo’n twee weken duurt. Maar zoals het er nu naar uitziet kunnen ze het goed met elkaar vinden.

‘Hallo, Binky’, zeg Tijs tegen de bruine hangoor.
‘Hallo, Bella’, zegt hij tegen het zwart, wit gevlekte vrouwtje.

Ik ga de lange lijst met namen in mijn gedachten af, maar kan me niet herinneren dat de namen ‘Bella’ en ‘Binky’ er op stonden. Ik glimlach en weet dan mijn kind intuïtief de konijnen en de namen uitgekozen heeft.

We spreken af om onze gezinsuitbreiding een week later op te halen. De konijnen zitten nog in hun wenperiode en wij moeten nog het konijnenhok, wat al een week in de schuur staat, in elkaar gaan zetten. Een klus waar mijn man en ik enorm tegenop zien. Gruwelbeelden van Ikea kasten die wij in elkaar proberen te zetten doemen steeds op.

In de auto, terug naar huis, praat Tijs aan een stuk door over zijn Binky en Bella.  Hij kan niet wachten tot het volgende week is. Wanneer hij eindelijk even zijn mond houdt om adem te halen, vraag ik snel hoe hij aan de namen gekomen is.

‘Dat is toch wel duidelijk, mama? Binky is ontzettend stoer en Bella is ontzettend mooi’.

Tja; hier heb ik niets meer aan toe te voegen.