**//sticky ads code//**
Als routine klusjes moeizaam gaan…

Als routine klusjes moeizaam gaan…

Elk kind heeft wel eens moeite of geen zin om zich aan te kleden, een klusje in huis te doen of zich klaar te maken voor school. Zoals in het artikel slim maar … omschreven hebben sommige kinderen meer moeite met een taak als gevolg van minder ontwikkelde executieve functies.  Voor het opruimen van spullen en aankleden voor school of een rustig slaapritueel, zijn er drie executieve functies waar een beroep op wordt gedaan. Het werkgeheugen, volhouden van aandacht en taakinitiatief. Wanneer deze executieve functies minder ontwikkelt zijn, blijven dergelijke taken lastig. Door je hier bewust van te zijn, kun je een kind gerichter helpen.

Werkgeheugen

Met het werkgeheugen kun je informatie letterlijk bewerken. Het werkgeheugen regelt de informatiestromen in het geheugen. Het bepaalt wat nu relevant is, wat later en wat meteen overboord kan. Het zorgt er ook voor dat informatie uit het lange termijn geheugen op het juiste moment beschikbaar is. Het werkgeheugen draagt dus bij aan de organisatie van iemands kennis en de bereikbaarheid er van. Het werkgeheugen heeft grote impact op de schoolprestaties van een kind.

Als een kind moeite heeft met het in gedachten houden van informatie bij het uitvoeren van (complexe) taken, kun je op de volgende manier helpen:

  • Maak oogcontact voordat je een kind de opdracht geeft.
  • Check of de boodschap wel goed is aangekomen door een kind deze te laten na vertellen. Vraag bijvoorbeeld of een kind weet wat hij moet doen.
  • Beperk afleiding, dit kan een televisie zijn die aan staat of rommel op tafel.
  • Gebruik visuele geheugensteuntjes. Maak pictogrammen voor het ochtend en of avond ritme. Op school wordt vaak gebruik gemaakt van de beertjes van Meichenbaum. Hier zijn veel varianten van te vinden op internet.
  • Hou er rekening mee dat leren uit ervaring erg moeilijk is voor kinderen met een slecht werkgeheugen. Het opslaan van ervaringen is lastig. Zowel positieve als negatieve ervaringen komen moeilijker in het lange-termijn geheugen terecht.
  • Bespreek situaties met een kind door. Vraag door naar details. Zo laat je een kind in-zoomen en ziet het eerder wat er goed en fout ging.
  • Ontwikkel samen met een kind manieren om dingen te onthouden. Een kind kan meedenken over een eigen tactiek of strategie.

Volhouden aandacht

Je aandacht op iets richten betekent dat je prikkels kunt indelen naar belangrijkheid en je dan kunt richten op de meest relevante. Sommige wetenschappers zeggen dan ook dat aandacht richten en inhibitie (je gedrag remmen) zich samen ontwikkelen. Aandacht volhouden is, zeker bij saaie taken, erg lastig. Een kind wat snel is afgeleidt raffelt zijn werk ook vaak af.

Wat kun je doen om een kind te helpen?

  • Voer de tijdsspanne geleidelijk op om de volgehouden aandacht te trainen. Hoe lang houdt een kind een activiteit nu vol? Neem die tijd als basis en voeg daar steeds een paar minuten aan toe.
  • Gebruik een timetimer om de tijd inzichtelijk te maken
  • Zorg voor een uitdagende taak. Probeer aan te sluiten bij zijn interesse, door er een wedstrijd of spel van te maken.
  • Gebruik een beloningssysteem.
  • Geef een kind iets om naar uit te kijken. Bedenk een leuke activiteit voor ná de taak waarvan hij het moeilijk vindt om zijn aandacht er bij te houden.
  • Blijf bij een kind als hij bezig is. Herinner een kind aan de taak en moedig aan

Taakinitiatie

Taakinitiatie betekent niks meer dan beginnen zonder uitstel. En dan vooral aan vervelende taken. Het gaat echt om die dingen waar een kind tegenop ziet. Bijvoorbeeld het opruimen van speelgoed. Geen enkel kind zal zin hebben om zijn spel te stoppen, om op te gaan opruimen. Degene die het toch doen hebben een goed ontwikkelde taakinitiatie. Taakinitiatie is de taken uitvoeren die gedaan moeten worden. En daarbij hoort ook weten van jezelf wat je nodig hebt om het te doen.

Kinderen die moeite hebben met taakinitiatie gaan vrijwel nooit meteen aan het werk, maar gaan nog even naar het toilet of beginnen iets anders, als het maar niet de opdracht is.

Hoe kan je hen helpen?

  • Moedig een kind aan om gelijk te beginnen.
  • Deel grote taken op in kleinere taken als dit mogelijk is.
  • Laat een kind vooraf bedenken hoe en wanneer hij de taak doet.
  • Laat een kind verzinnen hoe je hem kunt aansporen, bijvoorbeeld met een wekker.
  • Zorg voor een visuele herinnering.

Bovenstaande vaardigheden zijn ook nodig voor het maken van huiswerk of rommel opruimen. Hiervoor is tevens de executieve functie organisatie nodig. Binnenkort lees je daar meer over in het artikel Als huiswerk maken niet vanzelf gaat.

Waarom verliezen belangrijk is?

Waarom verliezen belangrijk is?

Niemand vindt het leuk om te verliezen. Of je nu groot of klein bent. Maar als je je kind ziet verliezen, vind je dit niet altijd leuk als ouders. Maar het hoort bij het leven en is ook belangrijk voor de ontwikkeling van een kind. Waarom is verliezen belangrijk? Wat leert een kind hiervan en hoe kun je als ouder een kind hierbij ondersteunen.

Leren omgaan met teleurstelling

Teleurstelling en verlies horen bij het leven. Tijdens het sporten leren kinderen veelal het meest omgaan met teleurstellingen. Denk maar aan het verliezen van een hockey of voetbal wedstrijd.  Kinderen die al heel jong geleerd hebben met tegenslag om te gaan, stappen mogelijk makkelijker door het leven dan kinderen die bang zijn om fouten te maken.
Nergens moet je zo vaak verlies nemen dan tijdens het sporten. Wil je beter worden dan moet je oefenen, oefenen en nog eens oefenen.  Doorzetten, geduld hebben, durven vallen, pijn doorstaan, weer opnieuw beginnen en doelen stellen leer je nergens zo goed als met je lichaam prestaties halen.

Wat kunnen ouders doen?

Leren omgaan met teleurstellingen en tegenslagen begint al met leren lopen en fietsen en het zwemdiploma. Van nature zijn vrouwen nogal eens geneigd hun kind te beschermen. Dan zie je dat als een kind dreigt te vallen de moeder opspringt en mogelijk ook nog een gil uitslaat. Wanneer de kleine dreumes hiervan schrikt, kan het zomaar besluiten om maar niet meer van die rare stunten uit te halen.
Kinderen zijn dus gebaat bij uitdaging en dat begint al heel vroeg.
Ben je gevallen? Jammer, kusje en weer opstaan.

Vallen en weer opstaan

Wanneer kinderen letterlijk vele malen zijn gevallen en weer zijn opgestaan en ze hebben spelletjes en wedstrijden verloren, dan is de beloning uiteindelijk een heel gezond zelfbeeld en veel zelfvertrouwen. Als je weet wat je kunt hoef je niet te twijfelen, hooguit heb je last van gezonde spanning. Kinderen die goed kunnen omgaan met verlies en teleurstelling kunnen goede vrienden worden met mooie sociale vaardigheden. Als ze weten hoe moeilijk en vervelend het is om te verliezen, gunnen ze een ander de winst en steunen ze elkaar als het moeilijk is. Ze kunnen een onderscheid maken tussen balen van en over zichzelf en blij zijn voor de ander.

Een ander voordeel wat goede verliezers hebben, is dat ze op school ook goed kunnen presteren. Ze hebben wellicht minder de neiging zich te verstoppen achter smoesjes en anderen zoals leraren of lawaai tijdens een toets de schuld geven van minder goed presteren. Deze kinderen nemen hun verantwoordelijkheid en durven ervoor uit te komen dat ze zelf mogelijk te weinig hebben geleerd voor een toets. Omdat ze gewend zijn zichzelf doelen te stellen over prestaties, doen ze dat ook met hun school- en huiswerk. Ze weten zichzelf te motiveren om hun doelen te halen en weten dat ze het meeste en beste leren door het maken van fouten. Juist het maken van fouten en een weg van hobbels  levert uiteindelijk een hoge kwaliteit op.

Bron: kindercoachingfriesland

Weet jij welke leerstijl je kind heeft?

Weet jij welke leerstijl je kind heeft?

Ieder kind leert anders. Elk kind heeft zijn eigen leerstijl. Zowel op school als daar buiten. Kolb (een bekende Amerikaanse psycholoog) maakt onderscheidt in abstract of concreet en actief of reflecterend. Dit lever vier combinaties op, die overeenkomt met vier verschillende leerstijlen. Elke leerstijl vraagt een andere manier van stimuleren.

De dromer: analyseren en abstract denken

De dromer wil ‘eerst denken, dan doen’. Hij denkt na over verschillende situaties en probeert zich hierin in te leven. Hierdoor ziet hij vaak meerdere (goede) oplossingen, maar twijfelt over een beslissing. Hij kan zich goed inleven in verschillende situaties en kan een probleem vanuit vele standpunten bekijken. De dromer ziet daardoor vaak sneller oplossingen. Dromers maken en bedenken graag dingen, hier hebben ze echter wel de tijd en ruimte voor nodig.

Hoe stimuleer je de dromer?

Zorg voor verschillende meningen over een probleem, dat stimuleert. Geef dromers de tijd en ruimte om ervaringen te verwerken en hun gevoelens te uiten. Dromers leren het best wanneer de leerkracht de stof met voorbeelden uitlegt. Dromers hebben een hekel aan tijdsdruk. Probeer ze daarom zo min mogelijk onder tijdsdruk werkzaamheden te laten doen.

De denker: waarnemen en overdenken.

Een denker stelt graag onderzoekende vragen. Hij kijkt naar wat er gebeurt en probeert algemene regels daarin te ontdekken, die eventueel met elkaar of met andere ervaringen in verband kunnen worden gebracht. Een denker houdt van logica en redeneren. Een denker leert het beste in gestructureerde situaties. Hij leert het best uit boeken en voordrachten, want die zijn logisch opgebouwd. Denkers kunnen niet goed tegen onzekerheid of wanorde. Ze vragen niet snel om hulp.

Hoe stimuleer je de denker?

Denkers weten graag waarom ze iets leren. Vertel ze dit daarom ook. Een denker heeft orde en rust nodig in de klas, groepswerk is niet echt aan hem besteed. Geef denkers de tijd om zelf het hoe, wat en waarom te ontdekken. Bemoei je niet teveel met een denker. Denkers ervaren dit snel als een inperking van hun ambities.

De beslisser: gestructureerd experimenteren.

De beslisser hakt graag knopen door. De theorie interesseert hem niet zo, wel de oplossing voor het probleem. De beslisser voelt zich goed als hij een stappenplan kan gebruiken om zo stap voor stap het resultaat te kunnen bereiken. Een beslisser leert het meest als hij de kans krijgt om zaken uit te proberen en te oefenen onder begeleiding van een expert.

Hoe stimuleer je de beslisser?

Help de beslisser om een duidelijke rode draad te herkennen in de leerstof Laat de beslisser zelf een probleem oplossen, geef hem hierbij aanwijzingen en raad. Beslissers leren het best als ze voorbeelden uit de praktijk krijgen. Maak de beslisser duidelijk dat wat hij nu leert, later van pas komt.

De doener: concreet ervaren

Een kind met een uitvoerende leerstijl, wil graag ervaringen opdoen en experimenteren. Als een doener ergens aan begint wil hij ook resultaten zien. Hij werkt graag samen met anderen, komt snel in actie en probeert ook anderen mee te trekken. Een doener kan zich gemakkelijk aanpassen aan nieuwe situaties en onverwachte omstandigheden. Hij kan ongeduldig zijn en gaat snel over tot actie zonder goed na te denken.

Hoe stimuleer je de doener?

Voor een doener is sfeer en menselijk contact heel belangrijk. Je stimuleert een doener door veel samen te doen.
Doeners hebben uitdagingen en spanningsvolle situaties nodig die om snelle keuzes vragen. Ze gaan soms zonder na te denken aan het werk. Evalueer een taak achteraf en help ze hoofd- en bijzaken te onderscheiden. Geef een doener de nodige tijd en ruimte om dingen uit te proberen.

Om een kind optimaal te kunnen laten leren, is het belangrijk je bewust te zijn van zijn leerstijl. Het is wel goed te wisselen tussen leerstijlen. Zo kunnen kinderen ook andere leerstijlen ontwikkelen. Een leerstijl ligt nooit compleet vast, deze is veranderbaar. Helaas wordt er in het onderwijs vaak onvoldoende rekening gehouden met verschillende leerstijlen. De nadruk ligt vooral op verbale vaardigheden.

Zo leer je een kind veters strikken!

Zo leer je een kind veters strikken!

Je schoenveters leren strikken kan verdraaid lastig zijn als kind. Hoe maak je nou een goede knoop, zonder dat de veters verstrikt raken of meteen weer losgaan? 

Vaak leren kinderen in groep 2 hun veters strikken. Maar soms is een kind hier al eerder aan toe of heeft hij juist extra hulp nodig?
Voordat je hieraan begint is het belangrijk om te checken of een kind er wel klaar voor is. Hoe is zijn fijne motoriek? Kan een kind bijvoorbeeld kralen rijgen of knippen? Sommige kinderen zijn met drie jaar al “veter strik kampioen”, terwijl andere kinderen het pas rond hun achtste jaar onder de knie hebben.

Dyslectische kinderen hebben ook vaak problemen met hun motoriek. Dit heeft te maken met het probleem in het automatiseren van vaardigheden. Veters strikken is om die reden ook vaak lastig.

Oefentips veters strikken

  1. Grote schoenen
    Je kunt het iets makkelijker maken voor een kind door hem te laten oefenen met jouw eigen schoenveters. Deze zijn wat langer dan de veters die in zijn eigen schoenen zitten.
  2. Gekleurde veters
    Rijg twee gekleurde veters in de veterschoen, dan ziet een kind beter het verschil tussen de veters.
  3. Voordoen
    Doe aan een kind voor hoe je je veters strikt.  Ga daarbij achter hem zitten. Het is beter is om niet tegenover hem te zitten, omdat hij het dan in spiegelbeeld te zien krijgt.
  4. Zing er een versje bij
    Je kunt er een versje bij zingen, wat het voor een kind natuurlijk een stuk leuker maakt!
    Maak een kruis, net een tent
    Daar doorheen het losse end
    En trek aan!
    En dan de strik:
    Maak een rondje, net een hoofdje
    Geef dat hoofd een warme das
    Stop de das in de jas
    Duw er nog een hoofdje bij
    En trek aan! 
  5. Leuke filmpjes
    Ook zijn er op internet diverse instructiefilmpjes te vinden. Loet laat het op een hele leuke en vrolijke manier zien.
  6. Prijs de poging
    Het gaat niet om het resultaat. Dat een kind het geprobeerd heeft, is al super knap. En als jij enthousiast bent over elke poging, dan komt het uiteindelijk wel goed met dat veters strikken.

 

 

Wanneer naar groep drie?

Wanneer naar groep drie?

Kinderen die voor 1 oktober zes jaar werden, mochten tot 1986 standaard door naar de basisschool en de rest bleef op de kleuterschool. Tegenwoordig is dat anders, ouders en leerkracht bepalen samen of een kind toe is aan groep drie.

Bij sommige kinderen is het heel duidelijk. Ze kunnen al een beetje lezen, hun naam schrijven en simpele sommetjes maken. Een andere groep kinderen kan nog niet lezen en schrijven maar gaat toch ook mee naar groep drie.
Het blijkt dat  uit beide groepen kinderen zijn, die zich prima redden in groep drie, maar er zijn ook in beide groepen kinderen die het niet zo gemakkelijk hebben eenmaal in groep drie

Hoe wordt bepaald of een kind toe is aan groep drie?

Hoe een kind zich ontwikkelt wordt bepaald door de rijping van het centraal zenuwstelsel en door de stimulans van de omgeving. De ontwikkeling en groei van het centrale zenuwstelsel omvat onder andere de ontwikkeling en groei van de hersenen en het ruggenmerg.
Het moment waarop een kind over voldoende basisvaardigheden beschikt in motoriek, taal en waarneming kan per kind wel twee jaar verschillen. Het ene kind verwerft ze al rond zijn vijfde, een ander kind pas veel later op zeven jarige leeftijd.
Ieder kind volgt zijn eigen ontwikkeling en groeiproces, ouders moeten hierin een balans zien te vinden tussen stimuleren en laten groeien.

Sociaal emotionele aspecten.

Goed mee kunnen komen in groep drie, vraagt meer dan leren lezen, schrijven en rekenen. Ook sociaal-emotioneel moet een kind toe zijn aan groep drie. Maar wat houdt dit in?

Concentreren

Het is belangrijk voor een kind om zich te kunnen concentreren. Van een kind wordt verwacht dat hij zich tien minuten achter elkaar kan concentreren op een taak, ook als hij deze niet leuk vindt.
Ongedwongen kunnen kinderen zich meestal wel concentreren, bijvoorbeeld als ze spelen met hun favoriete speelgoed, dit betekent echter nog niet dat een kind zich ook kan concentreren op een moeilijke en niet zo leuke opdracht. Een kind moet enige taakgerichtheid laten zien en moet enige tijd stil kunnen zitten.

Zelfstandig en zelfvertrouwen

Kinderen in groep groep drie moeten zelfstandig kunnen werken. Na een gegeven instructie moet een kind zelfstandig aan de slag kunnen gaan met een opdracht. Een kind moet dus enig (zelf)vertrouwen hebben in het eigen kunnen.

Verbaal

Eenmaal in groep drie moeten kinderen een logisch en verstaanbaar verhaal kunnen vertellen. Daarnaast moet een kind aandachtig kunnen luisteren naar instructies en deze kunnen begrijpen en onthouden.

Weerbaar

Voor het goed kunnen functioneren in een groep is het van belang dat een kind weerbaar is. Er komen veel nieuwe dingen op een kind af, veel nieuwe leerstof. Er worden  nieuwe eisen aan een kind gesteld en een hij belandt vaak in een nieuwe groep, vanuit de combinatie groep 1/2 wordt één groep drie samengesteld
Een kind moet goed kunnen functioneren in een groep om zich prettig te voelen in groep drie.

Testje: is mijn kind eraan toe om te leren lezen?

Volgens Ewald Vervaet (Ontwikkelingspsycholoog en docent) kun je op een redelijk simpele manier bepalen of een kind klaar is voor groep 3.
Neem twee dezelfde doorzichtige flessen en vul deze met gekleurde limonade. Een van de flesjes houd je scheef onder een hoek van 45 graden. Vervolgens teken je de lege flesjes op een papier en vraagt een kind de limonade erin te tekenen. Een kind dat nog niet toe is aan lezen, zal de streep in het schuine flesje niet horizontaal maar schuin of verticaal tekenen. Een kind dat wel toe is aan lezen – de gemiddelde leeftijd is 6,5 jaar – zal de beide lijnen horizontaal tekenen.

toe aan groep 3

 

Wie is er gebaat bij zittenblijven?

Wie is er gebaat bij zittenblijven?

In deze periode van het jaar speelt voor diverse kinderen en ouders het dilemma: overgaan naar de volgende groep of zittenblijven

Veel studies tonen aan dat doubleren meestal niet zinvol is. Het lijkt soms alsof we er vanuit gaan dat de ontwikkeling van kinderen lineair en stapsgewijs verloopt, dat lesstof uit het ene jaar voorwaardelijk is voor het begrijpen van lesstof van het daaropvolgende leerjaar.

“Het eerste jaar nadat een kind is blijven zitten, presteert hij vaak beter. Dat is logisch, want hij doet alles voor de tweede keer. Na een aantal jaren zakt de zittenblijver toch weer terug naar het niveau van voor doubleren”, Hans Luyten, onderwijsonderzoeker bij de Universiteit Twente. Met andere woorden: zittenblijven helpt niet.

Voordelen van zittenblijven

In het boek Samen tot aan de meet  geven Vlaamse docenten aan zittenblijven zeer zinvol te vinden. Zij gaan er vanuit dat zittenblijven een noodzakelijke maatregel is om ervoor te zorgen dat kinderen met een leerachterstand niet nog verder achter raken. Zittenblijvers kunnen bijgespijkerd worden zodat hun verdere schoolcarrière vlotter zal verlopen. Bovendien veronderstellen voorstanders dat zittenblijven het zelfvertrouwen van zwakke leerlingen helpt te vergroten. “De status in de nieuwe klas is vaak hoger”, bevestigt de Nederlandse onderwijsonderzoeker Luyten. “Nadat een kind is blijven zitten, wordt hij vaak de oudste van de klas. Dan wordt er tegen het kind opgekeken.”

Als zwakke(re) kinderen doubleren worden klassen homogener, waardoor leraren efficiënter instructie zouden kunnen geven, moeilijkere lesstof kunnen behandelen en beter tegemoet kunnen komen aan individuele leervragen van kinderen

Waarom niet doubleren

Een tegenargument voor doubleren is het ontbreken van voldoende uitdaging voor een kind. Een kind gaat zich vervelen wat tot gedragsproblemen kan leiden.
International onderzoek heeft uitgewezen dat doubleren op korte termijn een gunstig effect heeft op de school resultaten. Maar op lange termijn heeft zittenblijven eerder een negatief effect: naarmate de leerjaren vorderen, doen zittenblijvers het minder goed dan net zo zwak presterende vroegere klasgenoten die wel normaal zijn doorgestroomd.

Luyten noemt zittenblijven een onbeholpen manier van omgaan met leerlingen die niet meekomen. “Je hoort vaak dat leraren zeggen: Mijn leerling is nog zo speels, dus heb ik hem laten zitten. De vraag is of dat extra jaar voor speelsheid echt nodig is. Zou je niet iets anders kunnen bedenken waardoor de leerling toch weer aanhaakt? Dat kan wel, maar dat kost extra tijd en aandacht en dat is waar de schoen wringt.” Volgens Luyten moet er extra maatwerk geleverd worden om zittenblijven tegen te gaan. “Dat vraagt om een cultuuromslag.” Wie er nu echt baat heeft bij zittenblijven? “Zittenblijven maakt het werk voor de leerkracht makkelijker.”
Motivatiepsy­choloog Willy Lens pleitte er in het Vlaamse tijdschrift Klasse voor oud­ers  voor zitten ­bli­jven zo veel mogelijk te ver­mi­j­den. Doubleren is volgens hem alleen zinvol als de oorzaken van de slechte resultaten in het jaar dat wordt overgedaan zijn op te lossen. Als voorbeeld noemt hij een jaar extra kleuteren indien het kind nog niet ‘school­rijp’ is.

bron: aob.nl en nivoz.nl