**//sticky ads code//**
School doodt creativiteit van kinderen!

School doodt creativiteit van kinderen!

School doodt de creativiteit van kinderen, volgens een studie van onderzoeker Ken Robinson. Of anders gezegd, in plaats van hen te helpen om hun vermogen om een probleem vanuit verschillende invalshoeken te bekijken, leggen scholen gevestigde denkpatronen op kinderen.

Om zijn theorie te bewijzen, vroeg Robinson aan 1.500 schoolkinderen, op welke manier een paperclip te gebruiken is. Een vraag die op talloze manier te beantwoorden is. De overgrote meerderheid – 98% – van de kleuterschool kinderen toonde ‘genie’ tekenen van lateraal denken. Maar dit percentage daalt tot 30% voor de leeftijdsgroep 8-10 jaar en is slechts 12% van de 13-15-jarigen. Als oorzaak draagt hij de methodes in de klas aan, waarvan sommige dateren uit de negentiende eeuw, vanaf het moment van de industriële revolutie. Deze methoden moeten nu als achterhaald worden beschouwd, in een tijd dat er meer creativiteit dan ooit wordt verwacht.

Ken Robinson pleit voor een onderwijssysteem dat creativiteit koestert in plaats van ondermijnt. Organisaties over de hele wereld geven aan behoefte te hebben aan creatieve mensen die zich snel kunnen aanpassen aan veranderingen. Het onderwijs draagt hier onvoldoende aan bij.

Kinderen zijn van nature creatief

Robinson vertelt in zijn TED talk het verhaal van een meisje die een tekening maakt. Haar docent vraagt wat ze aan het tekenen is.

“Ik maak een tekening van God”. Waarop haar docent zegt: “Maar niemand weet hoe God eruit ziet”. Het meisje reageert: “Oh, maar dat weten ze wel zodra ik klaar ben!

Met dit prachtige verhaal maakt Robinson het punt dat kinderen niet bang zijn om fouten te maken. Kinderen proberen van alles en het komt simpelweg niet bij hen op dat je niet creatief zou kunnen zijn. Dat is iets wat kinderen leren gedurende hun schooltijd.

Picasso heeft ooit gezegd, alle kinderen zijn geboren kunstenaars, het is de kunst om dit te blijven als we opgroeien.

Onderwijssysteem

Robinson stelt dat creativiteit op scholen even belangrijk is als lezen en schrijven en  behandeld dient te worden met dezelfde status”. Elk onderwijssysteem heeft echter dezelfde hiërarchie van belangrijkheid, met wiskunde en talen aan de top, dan geesteswetenschappen. Ergens onderaan komt kunst. Beeldende kunst en muziek hebben dan weer een hogere status dan drama en dans. Robinson vraagt zich af waarom dans niet dagelijks wordt onderwezen op school. Dat is omdat het onderwijs is gericht op academische bekwaamheid. De systemen zijn tot stand gekomen, omdat deze vakken vroeger het meest nuttig zijn voor het vinden van werk op latere leeftijd.

De meeste scholen leiden niet op voor morgen of zelfs voor vandaag; ze leiden onze kinderen op voor gisteren. Ze bereiden onze kinderen niet voor op werken en leven in de huidige maatschappij. Wie heeft nog een baas die ’s morgens invuloefeningen op je bureau komt leggen?

5 Tips om kinderen beter te leren luisteren

5 Tips om kinderen beter te leren luisteren

Even helpen opruimen, een jas ophangen, luisteren als papa of mama iets vraagt, soms lijkt het wel of er niks moeilijkers bestaat voor een kind. Waarom luisteren kinderen soms zo slecht?

Het niet luisteren van een kind is niet altijd onwil.

Soms heeft een kind de boodschap niet gehoord omdat de tv aan staat of was de boodschap voor een kind veel te ingewikkeld en haakt hij al af na de eerste woorden. Veel ouders zullen dan gefrustreerd drie keer de vraag herhalen. Toch is het effectiever de vraag op een andere manier te stellen. Door simpelweg de manier van vragen te veranderen zal een kind al veel beter luisteren en gehoorzamen.

5 Tips om kinderen beter te leren luisteren.

  1. Wees goede luisteraar
    Onderbreek een kind niet wanneer hij jou iets vertelt, geef hem je volledige aandacht. Dus niet ondertussen de krant lezen, met andere volwassenen praten. Het is heel eenvoudig, als jij wil dat hij naar jou luisteren, moet hij ervaren dat jij naar hem luistert.
  2. Corrigeer ongewenst gedrag
    “Jan, kijk me eens aan. Ik vind het goed dat je nu even gaat afkoelen, maar ik vind het vervelend als je met die deur gooit, Ik wil dat je volgende keer de deur open laat staan.”
    Een voorbeeld van wat met een duur woord ‘corrigerende gedragsinstructie’ wordt genoemd. Waar het op neerkomt, is dat een kind duidelijk te horen krijgt wat hij goed heeft gedaan, maar ook wat een volgende keer beter of anders moet. De truc is het gewenste gedrag te benoemen. Zo leren ouders hun kind alternatief gedrag aan in plaats van dat ze hem alleen negatieve feedback geven.
  3. Wees consequent over de consequenties
    Hou je aan je woord. Als je tegen een kind zegt : als je dit nog een keer doet dan… DOE het dan ook. Een kind is meer geneigd naar  je te luisteren als hij weet dat je doet wat je zegt!
  4. Negeer ongewenst gedrag
    Bepaal welke gedragingen je niet meer wilt zien. Ga na hoeveel energie je wilt steken in het afzwakken van dit gedrag. Straffen kost meer energie dan negeren. ‘Choose your battles. Negeer dat gedrag consequent door totaal niet te reageren, u om te draaien of even weg te lopen.
    Consequent geen aandacht geven aan een bepaalde ongewenste gedraging kan een zeer effectieve manier om het af te zwakken. Dit lijkt makkelijk, maar net doen of je niets hoort of ziet terwijl een kind door raast is misschien wel één van de moeilijkste opdrachten. Zelfs non-verbaal moet je niet reageren. Dus ook niet boos kijken. Het gedrag zal in het begin vaak verergeren, omdat er niks van gezegd wordt. Een ingewikkelde taak, te meer omdat het consequent moet worden volgehouden. ‘Als je het de ene keer wel doet en de andere keer niet, leert een kind dat hij zijn zin toch wel krijgt, als hij maar lang genoeg doorgaat.’
    Niet elk gedrag leent zich uiteraard voor deze techniek.
  5. Prijs als er goed geluisterd wordt
    Iedereen houdt van complimentjes, ook kinderen. Vertel een kind dus ook als hij iets goed heeft gedaan. “fijn dat je zo goed geluisterd heb, Dank je wel dat je je bed zo netjes hebt opgemaakt”
De Sint zorgt soms voor meer concentratieproblemen

De Sint zorgt soms voor meer concentratieproblemen

De Sint is weer in het land! Voor de meeste kinderen betekent dit extra spanning en meer prikkels. Ieder kind heeft wel eens moeite zich te concentreren en in deze periode zijn dat er vaak nog iets meer.

Een kind kan moeite hebben met zijn concentratie omdat het eigenlijk bezig is met andere dingen, zoals sinterklaas, maar ook een aankomende verjaardag of een ruzie met een vriendje.
Vaak is het gebrek aan concentratie ook het gevolg van een gebrek aan motivatie. Wanneer een kind niet veel zin heeft in een bepaalde opdracht, is het begrijpelijk dat het voor een kind moeilijker is zich om zich te concentreren. Daarnaast kunnen faalangst en onzekerheid ook leiden tot concentratieproblemen.

Prikkels

Het moeilijk kunnen concentreren heeft vaak te maken met de hoeveelheid prikkels die kinderen binnen krijgen. Bij de meeste mens werken de hersenen als een filter. Zo filter je automatisch de (vele) prikkels die op je afkomen en kun je je richten op datgene waar je op dat moment mee bezig bent of wat er op dat moment belangrijk is.
Er kunnen verschillende reden zijn (bijvoorbeeld ADD of Hoogsensitiviteit) waardoor filters niet goed werken. Alle informatie komt dus binnen (gedachten, geluiden, beelden etc.).

Wat kun je doen aan concentratieproblemen?

  • Creëer een rustige omgeving
    Een rustige omgeving zorgt ervoor dat een kind minder snel afgeleid word. Denk hierbij aan een opgeruimde ruimte en weinig geluid radio of televisie.
  • Zorg voor overzichtelijke situaties en zo min mogelijk prikkels
    De situatie moet voor een kind (met concentratieproblemen) overzichtelijk zijn. Kinderen die snel afgeleid zijn, reageren vaak op alles wat er om hen heen gebeurd. Als bijvoorbeeld overal om het kind heen speelgoed voor het grijpen ligt, zal een kind ook van alles gaan pakken.
  • Vraag niet meer van een kind dan hij of zij aan kan.
    Het is goed om je bewust je zijn van de verwachtingen die je van een kind hebt. Vindt jij bijvoorbeeld dat een kind aan tafel moet blijven zitten tot iedereen uitgegeten is, maar merk je dat dit keer op keer mis gaat? Vraag je dan af of deze eis reëel is. Een kind vind het zelf ook niet leuk als er veel strijd is, dus wellicht vindt een kind het te moeilijk om lang stil te zitten? Een oplossing in deze situatie zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat het kind wél aan tafel blijft zitten, maar dat als het zijn/haar bord leeg heeft een spelletje aan tafel mag doen.
  • Geef complimenten als een kind zijn best doet
    Ook als je ziet dat een kind zijn/haar best doet en het lukt niet helemaal, kun je toch een compliment geven. Een kind heeft immers wél zijn best gedaan en door dat te benoemen stimuleer je een kind om dat een volgende keer weer te doen!
  • Als een kind een activiteit wél vol houdt, beloon een kind hier dan voor.
    Door belonen versterk je het zelfbeeld van een kind en dat draagt bij aan een goede ontwikkeling.
  • Zorg voor vaste structuur
    Kinderen met concentratieproblemen hebben behoefte aan veel duidelijkheid. Ze zijn over het algemeen snel afgeleid en er niet altijd bij met hun hoofd. Als ze weten waar zij aan toe zijn, zorgt dit voor rust. Structuur bieden is een breed begrip. Het betekent onder andere dat dingen op dezelfde manier gaan en/of op dezelfde volgorde. Bijvoorbeeld douchen, tanden poetsen, voorlezen, slapen. Veel kinderen vinden het prettig als zij een overzicht hebben van hoe hun dag (of week) gaat verlopen.
Meisjes roddelen, jongens slaan!

Meisjes roddelen, jongens slaan!

Bijna alle kinderen krijgen er in meer of mindere mate te maken met pesten. Er zijn op dit vlak grote verschillen te zien in hoe dit bij jongens en bij meisjes gaat. Hoe kom je erachter of je kind gepest wordt of dat je kind zelf een pester is?  En wat kun jij als ouder aan doen?

Verschillen tussen jongens en meisjes

Jongens pesten op een vrij directe manier. Ze schelden, slaan en vechten. Jongens troeven elkaar af op basis van prestaties. Wie is het sterkst, wie kan het beste voetballen en wie durft het meest. Meisjes pesten meer op een subtielere en indirecte manier. Ze roddelen, ze sluiten anderen buiten of negeren elkaar. In meidengroepen heerst er vaak een ‘koningin’. Dit populaire meisje omringt zich met hofdames en trouwe onderdanen. Zij bepaalt wie bij haar club hoort en wie niet. Dit machtsspel, ook wel meidenvenijn genoemd leidt vaak tot allerlei problemen.  Het wordt soms afgedaan als typisch meidengedrag dat er nu eenmaal bij hoort. Maar roddelen, buitensluiten en negeren is ook pesten.

Groepsproces

Een kind dat gepest wordt of dat pest, staat niet alleen. Dit is veelal een groepsproces waarin meerdere kinderen een rol hebben. Zo bestaan er de volgende rollen bij het pesten:

  • de dader (de pester);
  • het slachtoffer (de gepeste);
  • kinderen die mee pesten (de helpers), vaak omdat ze bang voor de pester zijn of omdat ze er beter van denken te worden;
  • de kinderen die niks doen, niet pesten maar niets doen om er een einde aan te maken (de buitenstaanders / de zwijgende meerderheid) ;
  • kinderen die het slachtoffer helpen (de verdedigers);

Iedereen in de groep heeft een rol, dus ook de kinderen die niets doen! Wanneer je wil dat pestgedrag stopt,  is het dus belangrijk dat je de gehele groep erbij betrekt. Het helpt niet om alleen het gepeste kind weerbaarder te maken. Pesten is een probleem van de groep en dat houdt in dat je het oplossen van pestgedrag in de groep moet zoeken.

Wat kun je doen?

Om pestgedrag aan te pakken moet je van goede huize komen omdat het vaak verborgen voor de buitenwereld plaatsvindt. Voor ouders en ook leerkrachten is het niet makkelijk om meidenvenijn constructief aan te pakken.  Helaas ben je er meestal niet bij als het roddelen gebeurt en kun jij het niet oplossen voor je kind. Je kunt je kind wel helpen om meer zelfvertrouwen te krijgen en weerbaarder te worden.

  • Oefen met je kind om een zelfverzekerde houding te tonen. Hoe je kind overkomt, heeft invloed op hoe anderen kinderen hem of haar benaderen. Staat een kind er onzeker bij, dan houden anderen minder snel rekening met hem en kunnen ze gemakkelijker gekwetst worden.
  • Laat je kind bij een roddel zich de vraag stellen: ‘Vind ik dit waar?’  Zo leert je kind om kritisch te kijken naar wat anderen zeggen en niet zomaar te geloven wat over hem wordt gezegd.
  • Leer je kind voor zichzelf op te komen. Leer je kind te zeggen tegen andere kinderen wat hij ergens van vind
  • Bespreek met je kind waar het graag bij wil horen. Wil je kind wel bij een groepje horen wat over hem roddelt of vrienden zijn met iemand die onaardige dingen zegt? Wie vind je kind fijne kinderen om mee om te gaan. Wat maakt iemand een goede vriend.

 

Weerbaarheid van kinderen

Weerbaarheid van kinderen

Van zelfvertrouwen wordt je kind ook weerbaar(der). Kinderen die weerbaar zijn, kunnen hun grenzen goed aangeven. Ze durven voor zichzelf op te komen maar ook steun te zoeken. Daarvoor moet een kind zichzelf belangrijk en goed genoeg vinden.
Men spreekt van weerbaarheid wanneer een kind op een passende manier voor zichzelf op durft te komen, zonder daarbij anderen te schaden of respectloos te behandelen. Een kind dat weerbaar is kan zijn eigen grenzen bewaken. Durft zijn mening te geven, maar durft ook om hulp te vragen. Ze kunnen omgaan met kleine tegenslagen.

Zelfvertrouwen

Het meest belangrijk voor de weerbaarheid van een kind is zelfvertrouwen. Een kind dat weerbaar is heeft een goed gevoel van eigenwaarde en is zich bewust van zijn of haar eigen gevoelens en die van anderen. Er is dan ook een wisselwerking tussen weerbaarheid en zelfvertrouwen.
Als een kind moeite heeft met taal, lezen of rekenen kan dit het zelfvertrouwen aantasten, hetgeen weer gevolgen kan hebben voor de weerbaarheid van het kind.

Kinderen die minder weerbaar zijn, hebben soms moeite om goed aansluiting te vinden bij leeftijdgenoten. Ze vragen bijvoorbeeld voortdurend of ze mee mogen doen, terwijl de situatie ze alle mogelijkheid biedt om gewoon mee te doen. Ook in hun houding zien we dat ze weinig ontspannen zijn en ze vermijden vaak oogcontact.
Kinderen die weinig weerbaar zijn hebben er ook moeite mee een eigen mening te hebben, gevoelens te uiten en vinden het moeilijk om ‘nee’ te zeggen uit angst af gewezen te worden. Niet-weerbare kinderen kunnen hierdoor soms ook ‘meelopers’ worden.

Weerbaarheid van kinderen vergroten

Weerbaarheid vergroten door ze zelf hun problemen te laten oplossen. Het zelf oplossen is goed voor het zelfvertrouwen van een kind en daarmee ook zijn weerbaarheid.

Het goede voorbeeld geven om de weerbaarheid van kinderen te vergroten.  Geeft het goede voorbeeld, laat zien hoe je problemen op een goede manier oplost. Daarnaast is het heel belangrijk dat het kind steeds meer de kans krijgt zelf problemen op te lossen.
Door samen over het probleem te praten en oplossingen te verzinnen kan een kind op weg geholpen worden wanneer het er in eerste instantie niet in slaagt een probleem op te lossen. Ook van belang hierbij is dat het kind de kans krijgt zijn eigen fouten te maken en deze ook weer te herstellen. Al moet er wel voor gewaakt worden dat een kind het gevoel krijgt dat het eigenlijk zelf alle situaties moet oplossen. Een kind moet weten dat hulp vragen altijd toegestaan is en ook een vorm van een probleem zelf oplossen kan zijn.

Weerbaarheid van kinderen vergroten door ze om te leren gaan met frustraties. Het is goed als een kind leert omgaan met frustraties. Het is dan ook niet verkeerd wanneer een kind ook af en toe geconfronteerd worden met dingen die mis lopen, anders gaan dan een kind verwacht. Een weerbaar kind heeft een zekere frustratietolerantie, hij kan er mee omgaan wanneer iets tegen zit.

 

Weet jij welke leerstijl je kind heeft?

Weet jij welke leerstijl je kind heeft?

Ieder kind leert anders. Elk kind heeft zijn eigen leerstijl. Zowel op school als daar buiten. Kolb (een bekende Amerikaanse psycholoog) maakt onderscheidt in abstract of concreet en actief of reflecterend. Dit lever vier combinaties op, die overeenkomt met vier verschillende leerstijlen. Elke leerstijl vraagt een andere manier van stimuleren.

De dromer: analyseren en abstract denken

De dromer wil ‘eerst denken, dan doen’. Hij denkt na over verschillende situaties en probeert zich hierin in te leven. Hierdoor ziet hij vaak meerdere (goede) oplossingen, maar twijfelt over een beslissing. Hij kan zich goed inleven in verschillende situaties en kan een probleem vanuit vele standpunten bekijken. De dromer ziet daardoor vaak sneller oplossingen. Dromers maken en bedenken graag dingen, hier hebben ze echter wel de tijd en ruimte voor nodig.

Hoe stimuleer je de dromer?

Zorg voor verschillende meningen over een probleem, dat stimuleert. Geef dromers de tijd en ruimte om ervaringen te verwerken en hun gevoelens te uiten. Dromers leren het best wanneer de leerkracht de stof met voorbeelden uitlegt. Dromers hebben een hekel aan tijdsdruk. Probeer ze daarom zo min mogelijk onder tijdsdruk werkzaamheden te laten doen.

De denker: waarnemen en overdenken.

Een denker stelt graag onderzoekende vragen. Hij kijkt naar wat er gebeurt en probeert algemene regels daarin te ontdekken, die eventueel met elkaar of met andere ervaringen in verband kunnen worden gebracht. Een denker houdt van logica en redeneren. Een denker leert het beste in gestructureerde situaties. Hij leert het best uit boeken en voordrachten, want die zijn logisch opgebouwd. Denkers kunnen niet goed tegen onzekerheid of wanorde. Ze vragen niet snel om hulp.

Hoe stimuleer je de denker?

Denkers weten graag waarom ze iets leren. Vertel ze dit daarom ook. Een denker heeft orde en rust nodig in de klas, groepswerk is niet echt aan hem besteed. Geef denkers de tijd om zelf het hoe, wat en waarom te ontdekken. Bemoei je niet teveel met een denker. Denkers ervaren dit snel als een inperking van hun ambities.

De beslisser: gestructureerd experimenteren.

De beslisser hakt graag knopen door. De theorie interesseert hem niet zo, wel de oplossing voor het probleem. De beslisser voelt zich goed als hij een stappenplan kan gebruiken om zo stap voor stap het resultaat te kunnen bereiken. Een beslisser leert het meest als hij de kans krijgt om zaken uit te proberen en te oefenen onder begeleiding van een expert.

Hoe stimuleer je de beslisser?

Help de beslisser om een duidelijke rode draad te herkennen in de leerstof Laat de beslisser zelf een probleem oplossen, geef hem hierbij aanwijzingen en raad. Beslissers leren het best als ze voorbeelden uit de praktijk krijgen. Maak de beslisser duidelijk dat wat hij nu leert, later van pas komt.

De doener: concreet ervaren

Een kind met een uitvoerende leerstijl, wil graag ervaringen opdoen en experimenteren. Als een doener ergens aan begint wil hij ook resultaten zien. Hij werkt graag samen met anderen, komt snel in actie en probeert ook anderen mee te trekken. Een doener kan zich gemakkelijk aanpassen aan nieuwe situaties en onverwachte omstandigheden. Hij kan ongeduldig zijn en gaat snel over tot actie zonder goed na te denken.

Hoe stimuleer je de doener?

Voor een doener is sfeer en menselijk contact heel belangrijk. Je stimuleert een doener door veel samen te doen.
Doeners hebben uitdagingen en spanningsvolle situaties nodig die om snelle keuzes vragen. Ze gaan soms zonder na te denken aan het werk. Evalueer een taak achteraf en help ze hoofd- en bijzaken te onderscheiden. Geef een doener de nodige tijd en ruimte om dingen uit te proberen.

Om een kind optimaal te kunnen laten leren, is het belangrijk je bewust te zijn van zijn leerstijl. Het is wel goed te wisselen tussen leerstijlen. Zo kunnen kinderen ook andere leerstijlen ontwikkelen. Een leerstijl ligt nooit compleet vast, deze is veranderbaar. Helaas wordt er in het onderwijs vaak onvoldoende rekening gehouden met verschillende leerstijlen. De nadruk ligt vooral op verbale vaardigheden.