**//sticky ads code//**
Wat je moet weten over de ontwikkeling van een kleuter!

Wat je moet weten over de ontwikkeling van een kleuter!

Een kleuter maakt in zijn jonge leven ontwikkelingen door op verschillende vlakken. Door je bewust te zijn van deze verschillende ontwikkelingen kun je een kleuter beter ondersteunen en stimuleren.

De ontwikkeling van kleuters kunnen worden onderverdeeld in drie gebieden:  lichamelijk, verstandelijk en sociaal emotionele ontwikkeling van een kleuter. Drie ontwikkelingen die niet los van elkaar staan.

Als kinderen bijvoorbeeld meer controle krijgen over hun lichaam, kunnen ze beter sporten. Dat is onderdeel van de lichamelijke ontwikkeling. Daarbij leren ze ook de regels die bij die sport horen. Dat hoort bij de verstandelijke ontwikkeling. Ze leren omgaan met andere kinderen die sporten, een sociaal-emotionele ontwikkeling. En een hele moeilijke voor sommige kinderen ze leren omgaan met winnen en verliezen, een emotionele ontwikkeling.

Het ik-besef

Kleuters zijn steeds meer meer bewust van hun eigen ik. Het toenemend ik-besef vraagt in deze periode om veel aandacht ondersteuning bij de ontwikkeling van een realistisch en positief zelfbeeld.
Als gevolg van het toenemend ik-besef worden kinderen zich bewust van de eigen kwetsbaarheid. Hierdoor hebben ze nogal eens last van angstgevoelens.

Inlevingsvermogen

Kleuters zijn meestal nog te veel op zichzelf gericht,  om zich in te kunnen leven in de ander. Ze gaan ervan uit, dat de ander net zo denkt en voelt als zij. Langzamerhand beginnen ze overeenkomsten en verschillen op te merken tussen zichzelf en hun vriendjes. Onderdeel van de sociaal emotionele ontwikkeling van een kleuter is het ontdekken dat andere anders-zijn. Ze leren ze beter omgaan met regels, afspraken en conflicten. Sommige kinderen creëren in deze periode een fantasievriendje.

Beïnvloeding

Op school komen kleuters in aanraking met andere opvattingen en gewoonten. Kleuters laten zich erg gemakkelijk beïnvloeden. Zowel positieve als negatieve invloeden krijgen alle ruimte, want waarden en normen beginnen zich nog maar net te ontwikkelen.  Goed en slecht zijn nog vage begrippen. Probeer een kind in deze fase te ondersteunen door hem positief te stimuleren.

 

Leren lezen

Leren lezen

De voorbereiding van leren lezen. Welke fases doorloopt een kind bij het leren lezen.

De voorbereiding op leren lezen en schrijven begint al vroeg. In groep 1 en 2 van de basisschool wordt de basis gelegd met het leren van letters en klanken. In groep 3 leert een  kind eerst letters herkennen, en vervolgens woordjes en eenvoudige zinnen lezen. Kinderen leren lezen tussen 5 en 8 jaar. Er zijn verschillende fases te onderscheiden bij het leren lezen.

Echt leren lezen

Kinderen leren klanken aan letters te koppelen en deze vervolgens samen te voegen tot een woord. De meeste kinderen leren dit in groep 3, maar de basis van het lezen wordt al in groep 2 gelegd. Samen met kinderen kun je verschillende spelletjes doen waardoor een kind klanken leert om te zetten naar letters. Bijvoorbeeld:

  • Ik zie, ik zie wat jij niet ziet en het begint met een S. Noem de letters niet bij hun naam, maar spreek de klank uit. Zeg dus niet ‘Es’ maar ‘Sss’ of ´Ke´ in plaats van ´K´.
  • Maak een woordenrij, waarbij het ene woord begint met de laatste letter van het vorige woord. bijvoorbeeld: auto – ooievaar – ruit – telefoon – neus – schelp.
  • Rijmen, noem zo veel mogelijk woorden die op elkaar rijmen.

Vervolg van leren lezen

In groep 4 en 5 oefenen kinderen de basisvaardigheden van het lezen. Het tempo gaat om hoog. Ze leren sneller lezen en er wordt meer aandacht besteedt aan het begrijpen van wat ze lezen.  Je kunt nu ook met een kind lezen, waarbij je om de beurt een stukje te leest.

Begrijpend lezen

Vanaf groep 4 leren kinderen ook ‘begrijpend lezen’. Kinderen kunnen beter begrijpend lezen als ze een goede woordenschat hebben. Hou veel gesprekjes met een kind. Geef regelmatig uitleg en informatie over wat een kind meemaakt. Uitstapjes maken is ook een goed idee. Hoe meer een kind meemaakt, hoe meer het herkent en hoe beter het begrijpt waar verhalen over gaan.

Woordenschatontwikkeling

Woordenschatontwikkeling

Woordenschat heeft betrekking op het leren van nieuwe woorden en begrippen. Bij start van de basisschool hebben kinderen een productieve basiswoordenschat van 2000 woorden nodig om de communicatie op school te kunnen volgen en er aan deel te nemen.

De receptieve woordenschat (de woorden welke een kind begrijpt, maar nog niet productief kunnen worden gebruikt) is groter, naar schatting 3000 woorden . Tot en met het achtste jaar komen daar ongeveer 600 woorden per jaar bij en van het negende tot het twaalfde jaar tussen de 1.700 en 3.000 per jaar. Op twaalfjarige leeftijd hebben kinderen de beschikking over ongeveer 17.000 woorden. Volwassene hebben gemiddeld een woordenschat van zo’n 50.000 tot 70.000 woorden.

Een kind leert de meeste nieuwe woorden en hun betekenis in incidentele situaties. Een kind neemt geen woordenboek door om nieuwe woorden te leren, maar hij komt in situaties terecht waar hij tegen nieuwe woorden aanloopt en daar de betekenis nog niet van weet.  Op school zijn er wel bewuste momenten waarop een kind nieuwe woorden leert.

Woordenschatontwikkeling van kleuters

Op de kleuterschool wordt veel tijd besteed aan het uitbreiden van de woordenschat. Men laat een kind vertellen over een boek of onderwerp. Een kind hoort of ziet nieuwe woorden. Maar ook door de feedback van de leerkracht en klasgenoten leert hij nieuwe woorden. Kinderen leren steeds meer woordbetekenissen en betekenis aspecten van één woord , bijvoorbeeld: vis, goudvis, vissenkom.

Woordenschatontwikkeling op de basisschool.

In de groep 3, 4 en 5  is veel aandacht voor de uitbreiding van de woordenschat. Kinderen kunnen steeds doelgerichter de betekenis van woorden afleiden in taaluitingen in en buiten de klas. Daarbij leren ze strategieën gebruiken waarbij ze de betekenis van woorden afleiden uit de context. Ook krijgen ze oog voor betekenisrelaties. Ze leren bijvoorbeeld dat een auto een voertuig is en dat een raceauto een soort auto.  In deze periode gaan kinderen ook figuurlijk taalgebruik begrijpen (pikzwart, in een deuk liggen). Een spreekbeurt en het maken van een werkstuk zijn belangrijke manieren om de woordenschat uit te breiden. Bij de voorbereiding leert  een kind veel nieuwe woorden. Kinderen gaan ook steeds meer uitdrukkingen leren zoals “nu komt de aap uit de mouw” of spreekwoorden “de appel valt niet ver van de boom” .

Tips om kinderen nieuwe woorden te leren

Een kind is van nature uit al heel nieuwsgierig en vraagt vaak wat een woord betekent. Een kind moet ook niet teveel nieuwe woorden in één keer aangeboden krijgen. Het werkt frustrerend voor een kind om steeds woorden niet te kennen. Het aanbieden van nieuwe woorden dient op een natuurlijke manier te gaan.

  • Wanneer een kind een nieuw woord tegenkomt, kun je een plaatje van het voorwerp laten zien. Zo kan hij er een beeld aan koppelen;
  • Gebruik synoniemen! Een synoniem is een ander woord voor het woord dat u wilt uitleggen, maar wat hetzelfde betekent. praktisch, dat betekent hetzelfde als handig;
  • Ook kun je bepaalde bewegingen uitbeelden. Bijvoorbeeld ‘joggen’‘sluipen’ en ‘balanceren’. Of een omschrijving geven van het woord. Daarbij leg je uit hoe het voorwerp eruit ziet of aanvoelt;
  • Interactief voorlezen helpt de woordenschatontwikkeling van jonge kinderen. Door boeken en verhalen komen kinderen in aanraking met veel nieuwe woorden die ze in hun dagelijkse leven niet zo gauw tegenkomen;
  • Met woordkaartjes kunnen kinderen allerlei spelletjes en oefeningen doen waardoor zij de relatie tussen de vorm (schriftelijk of mondeling) en de betekenis van een woord oefenen. Kinderen kunnen de woordkaartjes zelf maken op kleine kartonnetjes. Op de ene kant schrijven ze het woord en op de andere kant de betekenis. 
Spraakprobleem

Spraakprobleem

Als een peuter onduidelijk spreekt of bepaalde klanken niet goed kan uitspreken, kan er sprake zijn van een spraakprobleem.

Dan zie je meestal dat een spraakklank wordt vervangen door een andere, een kind zegt bijvoorbeeld sis in plaats van vis. Men spreekt van een vertraagde spraakontwikkeling als de spraak van het kind duidelijk achterblijft bij die van leeftijdgenootjes.
Jonge kinderen spreken de woorden meestal onvolledig uit. Bijvoorbeeld ‘toe’ voor ‘stoel’ of ‘al’ voor ‘bal’. Sommige kinderen blijven langer dan normaal uitspraakfouten maken. Dit kan de verstaanbaarheid zodanig beïnvloeden dat het kind zich soms niet duidelijk kan maken. Een kind van vijf jaar kan de meeste klanken goed uitspreken.

Een vertraagde spraakontwikkeling kan op verschillende manieren veroorzaakt worden. Er zijn bijvoorbeeld afwijkingen in tong, lippen en/of gehemelte. Neurologische letsels, een verminderd gehoor of een verstandelijke handicap kunnen de spraakontwikkeling belemmeren. Om de spraakontwikkelingen te bevorderen kunnen blaas en zuigoefeningen helpen.

Het zachte gehemelte heeft een belangrijke functie. Als het omhoog beweegt  tegen de achter keelwand sluit het de neusweg af. Op deze manier stroomt de lucht vanuit de longen door de mondholte naar buiten. Het zachte gehemelte neemt deze positie aan tijdens zuigen en blazen en bij alle spraakklanken, behalve  /n/, /m/, /ng/. Wanneer de bewegingsmogelijkheid en/ of de lengte van het zachte gehemelte niet voldoende is, zal er lucht door de neus ontsnappen en zal de spraak nasaal klinken.

Wanneer uw kind nasaal spreekt of het moeilijk vindt om te blazen en te zuigen zullen oefeningen voor het zachte gehemelte kunnen helpen.

Het doel van zuigoefeningen is om het zachte gehemelte te trainen en te stimuleren. De zuigoefeningen zijn echter niet gerelateerd aan de spraakklanken. Dus zijn de blaasoefeningen belangrijker dan de zuigoefeningen. Toch is het goed om deze oefeningen te doen. Als een kindje uit een beker gaat drinken, moet hij een goede lipsluiting en een krachtige zuigfunctie hebben om niet te knoeien.

Wil je wat extra oefenen, hieronder volgen een aantal blaas en zuigoefeningen die kunnen helpen.

Blaas oefeningen

  • Prop watten/ confetti wegblazen over een gladde tafel (oefen hierbij het
    richten. Verspreidt de watten of confetti over de tafel heen, zodat een kind alle
    stukjes naar 1 kant kan blazen).
  • Blaasvoetbal met een pingpongbal
  • Blazen of uitademen op een spiegeltje/ raam

Zuig oefeningen

    • Pepermuntje opeten. Dit zorgt ervoor dat je de luchtstroom beter in je mond voelt (als je zuigt of blaast).
    • Onderlip naar binnen zuigen (5- 10 sec. vasthouden).
    • Wangen naar binnen zuigen (5- 10 sec. vasthouden).
    • Lippen tussen de tanden in de mond zuigen (5- 10 sec. vasthouden).<
    • Stukje papier tegen de mond aanzuigen
6 tips voor leuke gesprekken met kleuters

6 tips voor leuke gesprekken met kleuters

Geniet jij ook zo van gesprekken met kleuters? Hun bijzondere manier van denken en gevatte opmerkingen. Hoe zien zij de wereld, wat houdt ze bezig. Met deze zes tips zijn de gesprekken met kleuters nog leuker.

1. Maak een prikkelende opmerking

Probeer in een  gesprekken met kleuters een prikkelende bewering te doen bijvoorbeeld “Ik hou van fietsen!” Hiermee  roept je een reactie op bij een kind en heeft hij meer vrijheid om te antwoorden dan bij een vraag als: “Hou je van fietsen?” Een kleuter kan met zijn antwoord nog alle kanten op, door bijvoorbeeld te vertellen wat  hij zelf wel of niet leuk vindt.
Dit kan ook bij het voorlezen van een prentenboek, stel een vraag over de inhoud. Als een kind niets zegt,  wacht dan 5 tot 10 seconden voor je zelf weer reageert. Een kind krijgt zo tijd om na te denken en een antwoord te formuleren.

2. Stel regelmatig open vragen

Probeer regelmatig in gesprekken met kleuters open vragen te stellen, waarbij een kind moet nadenken en een wat langer antwoord moet geven dan bij eenvoudige, gesloten vragen. Een voorbeeld van een gesloten vraag is: “Kan een kikker vliegen?” Een voorbeeld van een open vraag is: Waarom springt een kikker? Waarom en hoe vragen zijn goede open vragen. Zorg er wel voor de vragen die je stelt niet te moeilijk of juist te makkelijk zijn.

3. Neem een kleuter serieus

Probeer een kleuter goed te begrijpen. Zegt een kind iets onbegrijpelijks of onlogisch, neem dit serieus en stel vragen. Vraag aan een kind wat hij bedoelt door bijvoorbeeld te vragen: “Jij zegt ‘opazagen’. Wat bedoel je? Is opa in de schuur? Is hij daar aan het zagen?” Als je er wat meer tijd voor neemt om erachter te komen wat een kind bedoelt, zal blijken dat het vaak helemaal zo gek nog niet was wat het zei. Blijf geduldig om het kind niet te ontmoedigen.

4. Corrigeer een kind op een positieve manier

Alle kinderen maken fouten in hun taal. Deze ‘fouten’ zijn eigenlijk geen echte fouten maar vormen een noodzakelijk onderdeel van het leerproces. Wijs een kind niet uitgebreid op zijn ‘fouten’, maar verbeter hem onopvallend door de zin goed te herhalen. Een kind welke zich veilig voelt, zal het zich durven te uiten. Daarom is het belangrijk dat de gesprekken die je met  kinderen voert in goede sfeer verlopen.

5. Probeer  een echt gesprek op gang te brengen

Als je een gesprekje voert met meerdere kinderen, laat de kinderen dan ook op elkaar reageren, zodat ze ook echt met elkaar in gesprek gaan. Zeg bijvoorbeeld: “Sanne zegt dat …, vind jij dat ook Johan?” Of: “Wat vind jij daarvan, Johan?” Zorg er voor dat iedereen evenveel kansen krijgt om te praten, niet elk kind is even spraakzaam. Dit kan bijvoorbeeld door een opmerking als: “Even wachten Johan, Sanne wil ook nog iets vertellen.”

6. Speel (taal)spelletjes met een kind

Door taalspelletjes als “Wat is er allemaal groen in de kamer?” of “Wat is er allemaal klein?” leert een  kind spelenderwijs veel woorden. Ook door kinderliedjes en rijmpjes leren jonge kinderen veel nieuwe woorden. Soms snappen ze nog niet alles van wat ze zingen, maar dat komt later vanzelf.  Je  hoeft niet elk moeilijk woord uit te leggen.

Heb je ook tips voor leuke gesprekken met kleuters? Laat ze ons weten!

Genoeg gekleuterd in het onderwijs?

Genoeg gekleuterd in het onderwijs?

Voor het leren lezen en rekenen is het belangrijk dat een kind een instructies kan onthouden en opdrachten kan uitvoeren. Groei van dergelijke functies is een goede voorspeller voor lees- en rekenvaardigheid, concludeert Neely Anne Davidse van de Universiteit Leiden in haar promotieonderzoek. Druk en ongeconcentreerd gedrag hoeft geen aanleiding te zijn voor langer ‘kleuteren’.

Groei is een goede voorspeller

Kunnen kinderen beter leren lezen en rekenen als ze ook beter instructies kunnen volgen en onthouden, en opdrachten uitvoeren? Dat is moeilijk te voorspellen, volgens promovenda Davidse. Dergelijke ‘executieve functies’ zijn namelijk sterk veranderlijk bij kinderen tot ze 7 jaar zijn. Onder executieve functies worden de hogere controlefuncties van de hersenen verstaan. Bijvoorbeeld de vaardigheid om informatie in het geheugen te houden om een taak te voltooien.

Uit een studie onder ruim 200 kleuters concludeert de orthopedagoge Davidse dat groei in deze executieve functies een betere voorspeller is van lees- en rekenontwikkeling. Daarvoor vergeleek ze hun resultaten van een meting in groep 1 en groep 3. Een momentopname is geen graadmeter voor een verhoogde kans op leerproblemen, aldus Davidse.

Druk en ongeconcentreerd gedrag geen aanleiding tot grote zorg

Deze uitkomsten impliceren dat druk en ongeconcentreerd gedrag geen directe aanleiding hoeft te zijn tot grote zorg over kinderen. Leerkrachten gaan ervan uit dat drukke kinderen meer kans lopen op leerproblemen. Een matige werkhouding en een korte spanningsboog zijn soms zelfs reden om een leerling een jaar langer te laten kleuteren. De onderwijsinspectie daarentegen ziet liever dat kinderen maximaal acht aangesloten jaren op de basisschool zitten. Teveel zittenblijvers zou nadelig zijn voor de kwaliteit van een basisschool.

Leerkracht geeft extra instructies

Als kleuters zich vaardigheden eigen maken als tellen, rijmen en hun naam schrijven, dan leren ze vanzelf ook om meer informatie te onthouden en zich voor langere tijd te concentreren. Alleen als een kind het toch moeilijk blijft vinden om instructies te onthouden en ook de werkhouding niet voldoende verbetert of de spanningsboog klein blijft, dan is extra training van deze executieve functies belangrijk. De leerkracht geeft dan bijvoorbeeld extra instructies over hoe je een opdracht aanpakt bij lezen en rekenen. Zoals bij voorlezen: ‘Tijdens het verhaal luister je goed en zeg je niks, als het uit is mag je reageren.’

Extra ‘kleuteren’ voorkomen

Davidse vond het opmerkelijk dat leerkrachten vaak niet bekend zijn met de term ‘executieve functies.’ Begrippen als werkhouding en spanningsboog zijn bekender in het basisonderwijs. Binnen het leerlingvolgsysteem worden executieve functies niet getoetst. Davidse: ‘Dat systeem is wel een graadmeter om te beslissen of kinderen overgaan naar groep 3.’ Er ligt dus een uitdaging in het onderwijs om deze executieve functies onder de aandacht te brengen. ‘Leerkrachten moeten weten hoe ze deze vaardigheden als onderdeel van lezen en rekenen kunnen stimuleren binnen het kleuteronderwijs. Door tijdig en kundig handelen kan dan een jaar extra kleuteren wellicht voorkomen worden.’