**//sticky ads code//**
Interactief voorlezen

Interactief voorlezen

We weten allemaal dat lezen een positief effect heeft op de ontwikkeling van kinderen. Het vergroot de woordenschat, spelling, tekstbegrip en stimuleert de fantasie.  Deze effecten zijn nog groter als degene die voorleest vragen stelt over het verhaal of andere interactieve voorleestechnieken gebruikt.

Interactief voorlezen

Interactief voorlezen betekent met kinderen in gesprek over een boek. Dit gaat verder dan alleen vragen stellen. Het betekend een voorleessituatie die behalve een moment van leesplezier tevens een gerichte luister denkactiviteit is. Interactief voorlezen vraagt om een goede voorbereiding.

Voorbereiding

Kies een boek welke aansluit bij de belevingswereld en het taal-denkniveau van kinderen. Lees het boek eerst zelf om te weten waar het verhaal over gaat.  Bedenk wat van te voren om uitleg vraagt en wat u tijdens het lezen door synoniemen kunt verduidelijken.
Geef voordat je begint met voorlezen een korte introductie van het boek. Geef kinderen de ruimte opmerkingen te maken over wat ze zien. Stel voor om goed te kijken en te bedenken waar het verhaal over gaat. Help hen eventueel met aanwijzingen. Bijvoorbeeld over wie gaat het verhaal of wat zie je hier gebeuren?.

Het is ook mogelijk om een pagina te kiezen en daar samen over te fantaseren. Let daarbij goed op de reactie van kinderen en gebruik die om een luistervraag te stellen: Zullen we eens kijken of het klopt wat je denkt? Op deze manier gaan de kinderen eerder gericht luisteren.

Voorlezen

Lees langzaam, articuleer goed en kijk kinderen regelmatig aan om hen betrokken te houden bij het boek.  Wissel in stemgebruik door wisselingen in volume, tempo klemtoon en intonatie.  Geeft tijdens het voorlezen ruimte voor vragen. Laat af en toe stiltes vallen, stel vragen. Vraag kinderen om te voorspellen wat het vervolg zal zijn van het verhaal en de gebeurtenissen. Onderbreek echter niet te vaak. Het verhaal zal nog vaker worden voorgelezen en dan kun je het accent weer op andere punten leggen.

Na het voorlezen

Vat na het lezen de belangrijkste elementen van het verhaal samen. Laat kinderen het verhaal navertellen, gebruik eventueel de plaatjes van het prentenboek om hen hierbij te helpen. Benoem als grapje eens expres iets verkend, als namen en begrippen bekend zijn. Nodig de kinderen uit om te vertellen of ze zelf wel eens zoiets hebben meegemaakt.

Veel plezier

Brutaal gedrag

Brutaal gedrag

Elke ouder heeft waarschijnlijk wel eens een grote mond gehad van zijn kind. Als brutaal gedrag een keer gebeurt is dat niet zo erg en mondigheid kan ook gezien worden als een positief iets.

Een kind ontwikkelt een eigen mening en een eigen visie en durft dit kenbaar te maken. Het ontwikkelen van een eigen ‘ik’ is erg belangrijk voor kinderen. Een kind moet echter wel leren dat je boosheid mag voelen, maar dat het niet de bedoeling is om brutaal of opstandig te worden.

Omgaan met emoties

Naarmate kinderen ouder worden, moeten ze leren met hun emoties om te gaan. Boosheid is één van de emoties, waar kinderen soms moeilijk mee om kunnen gaan. Elk kind uit zijn boosheid daarom wel eens door brutaal of opstandig gedrag. Bijvoorbeeld door te schreeuwen, schelden of iets respectloos of onbeschofts te zeggen als iets niet mag of lukt

Omgaan met brutaal gedrag!

Het is goed om de reden achter brutaal gedrag proberen te achterhalen. Het kan zijn dat een kind niet lekker in zijn vel zit, aandacht probeert te vragen of misschien erg boos is om iets.
Brutaal gedrag kan er soms insluipen en een gewoonte worden. Het wil niet zeggen dat er altijd direct iets met een kind aan de hand is, en ook zeker niet dat je dit gedrag hoeft te accepteren.
Als een kind niet begrenst wordt in zijn gedrag, dan kan dat vervelende gevolgen hebben voor de leefomgeving van het kind én voor het kind zelf. Een kind heeft deze begrenzing nodig om goed te kunnen functioneren!

Tips hoe om te gaan met brutaal gedrag:

  • Spreek je verwachtingen uit! Bijvoorbeeld: ‘Over 5 minuten gaan we eten. Ik verwacht dat als ik je dan weer roep, je binnenkomt.’
  • Geef van te voren aan wat er gaat gebeuren. Als brutaal gedrag voortkomt uit opstandigheid of onzekerheid over wat er gaat gebeuren dan is dit een gouden tip! Kinderen die weten waar ze aan toe zijn, zijn meer ontspannen en vertonen minder ongewenst gedrag!
  • Als een kind brutaal is of opstandig doet, blijf dan rustig. Je stem verheffen of schreeuwen helpt niet.
  • Als een kind is afgekoeld, is het belangrijk dat je met je kind over het gedrag praat. Vertel een kind op een rustige duidelijke toon, welk gedrag je niet accepteert en ook waarom niet.
  • Laat merken dat je begrijpt wat een kind wil. Bijvoorbeeld: ‘Ik weet dat je graag wilt…” Daar wordt een kind meestal rustiger van.
  • Zeg ook dat je begrijpt dat een kind zich boos voelt, maar dat schreeuwen, schelden of brutale dingen zeggen geen oplossing is. Dit kwetst anderen en levert niets op.

 

Wat helpt bij concentratie problemen?

Wat helpt bij concentratie problemen?

Ieder kind heeft wel eens moeite met concentreren. Maar voor sommige kinderen spelen concentratie problemen voortdurend.

Beelddenkers hebben van nature een zwakke concentratie. Ze zijn snel afgeleid en kunnen hun aandacht slecht richten op één ding.

De woorden die ze horen roepen beelden op. Die beelden associëren ze weer met andere beelden, hun aandacht dwaalt af ze vergeten op te letten.
De linker hersenhelft valt bij beelddenkende kinderen makkelijk stil. Daarom zie je dat kinderen vaak gaan wiebelen om de aandacht erbij te kunnen houden. Onbewust stimuleren ze op deze manier hun linker hersenhelft.

Afleiding

Afleiding is er in verschillende  soorten en maten. Misschien is een kind bezig met dingen die hij nog graag wil doen, of vindt hij hetgeen mij moet leren niet interessant.  Er zijn twee soorten afleiding. Kinderen kunnen worden afgeleid door dingen in zichzelf of van buiten (pratende mensen, mobieltjes, televisie).
De meeste afleiding zit vaak in het hoofd van kinderen en is moeilijk te achterhalen. Door aan een kind te vragen waar hij aan denkt, kun je er achter komen wat hem bezig houd.

Geluiden van buiten kun je niet altijd afzetten. Geluid wat andere kinderen maken, de televisie of radio. Het kan een kind op school helpen om een gehoorbescherming te dragen, deze dempt een deel van het geluid.

Bewegen helpt

Wat kan helpen de aandacht vast te houden is beweging. Gebruik tijdens het leren een tangle of stressballetje of iets dergelijks.

De Tangle is een draaiend therapeutisch hulpmiddel dat spanning en stress vermindert en je concentratie verhoogt. Het gaat bij de Tangle om de beweging. Er is geen goed of fout. Met een tangle kun je eindeloos vloeiende bewegingen maken. Elke Tangle is opgebouwd uit een serie ronde hoeken die met elkaar zijn verbonden. Hierdoor kunnen draaiende bewegingen worden gemaakt.

Visolie

Visolie bestaat uit de essentiële vetzuren EPA en DHA. Deze vetzuren behoren tot de omega 3 vetzuren.  Als een kind  goed eet en zeer gevarieerd zou hij in principe via de voeding genoeg omega 3 vetzuren binnen moeten krijgen. EPA en DHA zitten vooral in:  zalm, ansjovis, haring, makreel, sardines , de  vette vissoorten.

Veel klachten bij kinderen door verstoorde primaire reflexen

Veel klachten bij kinderen door verstoorde primaire reflexen

Primaire reflexen zijn de basis voor een goede ontwikkeling van een kind. Het vormt als het ware een stevige ondergrond waar weer nieuwe ontwikkelingsfases op gebouwd kunnen worden.

Wat is nu precies een reflex?

Een reflex is een onwillekeurige, automatische beweging als reactie op een prikkel.
We hebben verschillende reflexen actief in ons leven, ook wel de levenslange reflexen genoemd. Als we bijv. onze vinger branden gaat er een seintje naar de hersenen en is de reactie daarop dat we onze hand zo snel mogelijk terugtrekken!

Daarentegen behoren primaire reflexen zich rond de leeftijd van ca. 2 jaar volledig volgens een bepaald patroon in het lichaam te hebben geïntegreerd en zijn dus niet meer actief.

Het belang van primaire reflexen:

Vanaf het prille begin in de baarmoeder zijn er al primaire reflexen die helpen ons brein  te ontwikkelen. Primaire reflex bewegingen gaan vooraf aan de ontwikkeling van neurale netwerken en aan de myelinisatie (groei van vetachtige, witte stof om de zenuwuitlopers) van de routes die zorgen voor verbinding van de verschillende gebieden.  Een goede ontwikkeling hiervan is van enorm belang voor motoriek, leren, gedrag, communiceren, sociaal en emotioneel welzijn.

Primaire reflexen worden aangestuurd vanuit de hersenstam, het gedeelte van de hersenen dat verantwoordelijk is voor de overleving. Voorbeelden van deze reflexen zijn o.a.: het zuigreflex, grijpreflex en schrikreflex. Als primaire reflexen nog actief zijn (of opnieuw actief zijn geworden) wordt de hersenstam gestimuleerd en schiet het lichaam in de ‘vecht-vlucht’ stand, we reageren dan vanuit stress en overleving. Bij goed geintegreerde reflexen geef je een reactie vanuit je prefrontale cortex waar je de informatie verwerkt en analyseert alvorens een reactie te geven.

Wat gebeurt er als een kind zijn reflexen niet of niet goed heeft kunnen integreren?
Als een kind de stevige basis van goed geintegreerde reflexen mist, is alles wat je er verder op bouwt wankel. Het actieve reflex zal zich altijd opdringen en verstoort zo het normale functioneren. Het kind zal deze reflexen willen onderdrukken of compenseren wat enorm veel energie kost.

Een kind kan dan overreageren, helemaal niet reageren of ongecontroleerd reageren op zintuiglijke informatie.  Veel voorkomende klachten, problemen die hierdoor kunnen ontstaan zijn o.a.:

Een kind:

  • Kan niet stilzitten
  • Struikelt veel, heeft moeite met evenwicht
  • Ligt tijdens het schrijven met het hoofd bijna op de tafel.
  • Hangt onderuit in zijn stoel.
  • Heeft zijn benen om de stoelpoten geklemd of zit in een W-zit
  • Is overgevoelig voor labels in kleding, geluid en/of licht.
  • Bijt op z’n pen, nagels of duimt etc.
  • Plast nog regelmatig in zijn broek
  • Is “onhandig”, loopt tegen dingen aan, gooit dingen om.
  • Is onzeker, faalangstig
  • Wordt gepest of pest zelf
  • Loopt op zijn tenen (letterlijk en figuurlijk)
  • Heeft zijn emoties niet in balans.
  • Klaagt over hoofdpijn tijdens het lezen of tv kijken
  • Heeft een zwakke pen greep
  • Schrikt van harde geluiden
  • Slaapt slecht
  • Heeft moeite met concentreren.

Hoe komt het dat de reflexen soms niet, gedeeltelijk of niet goed geïntegreerd zijn?
Dit kan komen door: 

  • Problemen tijdens de zwangerschap, geboorte en/of na de geboorte, denk daarbij o.a. aan geboorte trauma (vacuumverlossing, tangverlossing) en keizersnede.
  • Emotionele stress van de moeder tijdens de zwangerschap.
  • Onvoldoende juiste beweging in de baby/peuter tijd. Maxi cosi’s, schommelstoelen, autozitjes etc beperken de bewegingen die juist zo nodig zijn voor de ontwikkeling van de hersenen. Maar denk ook aan het veelvuldig en lang tv kijken, gebruik van Ipad en computers wat behalve invloed op de houding ook negatieve invloed heeft op de hersenen die nog in ontwikkeling zijn.
  • elektronische vervuiling, elektromagnetische straling (wifi)
  • ziekte, trauma en chronische stress op latere leeftijd. Hierdoor kunnen primaire reflexen weer geactiveerd worden.

Ontwikkeling Moro reflex

De Moro is een automatische reactie op een plotselinge verandering in zintuiglijke prikkels.. Bij een pasgeboren baby kun je deze herkennen wanneer er een onverwachte beweging of geluid gemaakt wordt. De baby ademt snel in en zijn vingers, armen en benen spreiden zich. In de bloedbaan komen adrenaline en cortisol vrij. Vervolgens zal de baby zijn armen over zijn borst sluiten, ademt hij uit en begint hard te huilen. Op deze manier roept de baby om hulp.

De Moro ontwikkelt zich in de 9e week na conceptie bij de foetus in de baarmoeder en maakt ons gevoelig voor gevaar.
De Moro is belangrijk bij de eerste ademhaling na de geboorte. Daarnaast is de moro ook belangrijk in de eerste strekreactie van het lichaam. De baby heeft tenslotte 9 maanden in een gebogen positie in de baarmoeder gezeten.

De Moro reflex hoort geïntegreerd te zijn bij 3à 4 maanden en gaat over in het gewone “volwassen schrik reflex”

Wat gebeurt er bij een actieve moro reflex?

Wanneer bij het kind deze Moro reflex niet geïntegreerd is, zal er telkens een overproductie aan cortisol en adrenaline in het lichaam worden rondgepompt wanneer het kind schrikt. Het kind heeft dan een verhoogde mate van stress in het lichaam. Het kind kan na enige tijd hypergevoelig worden in een of meer zintuigen. Hierdoor zijn deze kinderen snel afgeleid en moe. Het kan zich uiten in storend, onrustig gedrag of juist het tegenovergestelde, het kind trekt zich terug en keert in zichzelf.

Symptomen bij een actieve Moro reflex

  • Overgevoelig voor geluid en/of licht.
  • Lage eigenwaarde, weinig zelfvertrouwen.
  • Extreem schrikachtig.
  • Concentratieproblemen.
  • (Faal)angst.
  • Slecht coördinatie (met name tijdens balspelen)
  • Evenwichtsproblemen
  • Houdt niet van veranderingen
  • Gemakkelijk afgeleid
  • Last van allergieën, lagere immuniteit
  • reisziekte.
  • Keel-, neus- en oorproblemen.

 De behandelmethode ‘reflexintegratie’

Onafhankelijk van leeftijd kunnen reflexen (opnieuw) geïntegreerd of verder geïntegreerd worden. Zo kan de basis voor ons zenuwnetwerk opnieuw aangelegd worden. Aan de hand van een intake en testen kan worden vastgesteld welke reflexen nog niet, niet goed, of nog niet geheel geïntegreerd zijn. De behandeling bestaat uit een reeks bewegingsoefeningen die zowel passief als actief gedaan kunnen worden. Veelal krijgen kinderen oefeningen mee voor thuis welke zo veel mogelijk op speelse wijze worden aangeboden zodat de kinderen het leuk en fijn vinden om te doen.

 Kinderpraktijk aan de Dijk (www.kinderpraktijkaandedijk.nl) werkt met 2 reflex integratie methodes:

Door: Tini Rademaker, integratief kinder- en jeugdtherapeut bij Kinderpraktijk aan de Dijk te Beusichem (Gelderland)

Wat kunt je verwachten van een kleuter?

Wat kunt je verwachten van een kleuter?

Een kind leert spelenderwijs woorden zeggen en taal gebruiken, doordat er met hem wordt gesproken. Door middel van taal kan een kind communiceren, ze gaan begrijpen wat er wordt gezegd en leren zichzelf te uiten. Een kind dat kan praten kan zeggen wat hij wil en voelt, maar ook wat hij heeft beleeft.

Onder ontwikkeling van de spraak wordt het leren maken van klanken verstaan. Met de ontwikkeling van taal wordt het gebruiken van woorden en zinnen bedoeld.
De spraak en taal ontwikkeling van een kind gaat niet vanzelf maar moet worden geleerd. Dit gebeurt vooral in de eerste vier, vijf levensjaren van een kind. Wat kunnen kinderen op verschillende leeftijden. Hoeveel woorden zeggen kinderen gemiddeld als ze vier jaar zijn en wanneer kan een kind vertellen wat hem bezig houdt.

Een vierjarig kind

  • Kan de kleuren, rood, blauw, geel en groen aanwijzen
  • Onderscheidt maken tussen een cirkel, driehoek en vierkant
  • Kan een activiteit ongeveer 12 minuten volhouden
  • Heeft een woordenschat van ongeveer 1500 woorden
  • Maakt zinnen van 4 a 5 woorden
  • Kan de verleden tijd correct gebruiken
  • Vraag wie? en waarom?
  • Kan alle klinkers goed uitspreken
  • Kan soms nog wat moeite hebben met t/s/w/l en r en het uitspreken van sommige klankcombinaties, zoals brood=blood
  • Is verstaanbaar voor vreemde

Een vijfjarig kind

  • Kan kleuren en figuren benoemen kan een activiteit ongeveer 15 minuten volhouden
  • Kan woorden als: want, omdat als gebruiken om zinnen samen te stellen
  • Spreekt woorden met meerdere lettergrepen goed uit bijv locomotief
  • Kan alle klanken en klankcombinaties correct uitspreken
  • Heeft soms nog moeite met de r/sch en ng
  • Is goed verstaanbaar voor vreemden.

Bij het ene kind ontwikkelt de spraak en taal zich sneller dan bij een ander kind.Leren praten lijkt op leren lopen, het gaat met vallen en opstaan. Het is heel normaal dat een kind nog fouten maakt

Bijvoorbeeld in de spraak: “Ik heb vesikkelukke dost” of wat betreft taal “ik heb vandaag onder water gezwemd”

Tips om taal en spraakontwikkeling te stimuleren

  • Zorg voor spreeksituaties
    Verwoord waarmee een kind bezig is, praat over wat je zelf aan het doen bent. Bespreek met een kind wat je samen ziet en beleeft.
  • Pas je manier van spreken aan
    Maak eenvoudige en duidelijke zinnen in een rustig spreektempo. Spreek niet in kindertaal maar pas de lengte van een zin en woordkeuze aan. Volg het niveau van een kind
  • Geeft het goede voorbeeld
    Verbeter een kind niet maar geef het goede voorbeeld. Wanneer een kind zegt: “ik heb vandaag onder water gezwemd”. “Wat knap, hoe ver heb je onder water gezwommen?” Vraag een kind niet om het na te zeggen.
  • Iets langere zinnen
    Maak je zinnen iets langer dan die van een kind. Dit stimuleert een kind tot het uitbreiden van zijn eigen zinnen. Een kind zegt: “Hij valt!” Jij zegt: “Ja, hij valt op de grond”.
Als routine klusjes moeizaam gaan…

Als routine klusjes moeizaam gaan…

Elk kind heeft wel eens moeite of geen zin om zich aan te kleden, een klusje in huis te doen of zich klaar te maken voor school. Zoals in het artikel slim maar … omschreven hebben sommige kinderen meer moeite met een taak als gevolg van minder ontwikkelde executieve functies.  Voor het opruimen van spullen en aankleden voor school of een rustig slaapritueel, zijn er drie executieve functies waar een beroep op wordt gedaan. Het werkgeheugen, volhouden van aandacht en taakinitiatief. Wanneer deze executieve functies minder ontwikkelt zijn, blijven dergelijke taken lastig. Door je hier bewust van te zijn, kun je een kind gerichter helpen.

Werkgeheugen

Met het werkgeheugen kun je informatie letterlijk bewerken. Het werkgeheugen regelt de informatiestromen in het geheugen. Het bepaalt wat nu relevant is, wat later en wat meteen overboord kan. Het zorgt er ook voor dat informatie uit het lange termijn geheugen op het juiste moment beschikbaar is. Het werkgeheugen draagt dus bij aan de organisatie van iemands kennis en de bereikbaarheid er van. Het werkgeheugen heeft grote impact op de schoolprestaties van een kind.

Als een kind moeite heeft met het in gedachten houden van informatie bij het uitvoeren van (complexe) taken, kun je op de volgende manier helpen:

  • Maak oogcontact voordat je een kind de opdracht geeft.
  • Check of de boodschap wel goed is aangekomen door een kind deze te laten na vertellen. Vraag bijvoorbeeld of een kind weet wat hij moet doen.
  • Beperk afleiding, dit kan een televisie zijn die aan staat of rommel op tafel.
  • Gebruik visuele geheugensteuntjes. Maak pictogrammen voor het ochtend en of avond ritme. Op school wordt vaak gebruik gemaakt van de beertjes van Meichenbaum. Hier zijn veel varianten van te vinden op internet.
  • Hou er rekening mee dat leren uit ervaring erg moeilijk is voor kinderen met een slecht werkgeheugen. Het opslaan van ervaringen is lastig. Zowel positieve als negatieve ervaringen komen moeilijker in het lange-termijn geheugen terecht.
  • Bespreek situaties met een kind door. Vraag door naar details. Zo laat je een kind in-zoomen en ziet het eerder wat er goed en fout ging.
  • Ontwikkel samen met een kind manieren om dingen te onthouden. Een kind kan meedenken over een eigen tactiek of strategie.

Volhouden aandacht

Je aandacht op iets richten betekent dat je prikkels kunt indelen naar belangrijkheid en je dan kunt richten op de meest relevante. Sommige wetenschappers zeggen dan ook dat aandacht richten en inhibitie (je gedrag remmen) zich samen ontwikkelen. Aandacht volhouden is, zeker bij saaie taken, erg lastig. Een kind wat snel is afgeleidt raffelt zijn werk ook vaak af.

Wat kun je doen om een kind te helpen?

  • Voer de tijdsspanne geleidelijk op om de volgehouden aandacht te trainen. Hoe lang houdt een kind een activiteit nu vol? Neem die tijd als basis en voeg daar steeds een paar minuten aan toe.
  • Gebruik een timetimer om de tijd inzichtelijk te maken
  • Zorg voor een uitdagende taak. Probeer aan te sluiten bij zijn interesse, door er een wedstrijd of spel van te maken.
  • Gebruik een beloningssysteem.
  • Geef een kind iets om naar uit te kijken. Bedenk een leuke activiteit voor ná de taak waarvan hij het moeilijk vindt om zijn aandacht er bij te houden.
  • Blijf bij een kind als hij bezig is. Herinner een kind aan de taak en moedig aan

Taakinitiatie

Taakinitiatie betekent niks meer dan beginnen zonder uitstel. En dan vooral aan vervelende taken. Het gaat echt om die dingen waar een kind tegenop ziet. Bijvoorbeeld het opruimen van speelgoed. Geen enkel kind zal zin hebben om zijn spel te stoppen, om op te gaan opruimen. Degene die het toch doen hebben een goed ontwikkelde taakinitiatie. Taakinitiatie is de taken uitvoeren die gedaan moeten worden. En daarbij hoort ook weten van jezelf wat je nodig hebt om het te doen.

Kinderen die moeite hebben met taakinitiatie gaan vrijwel nooit meteen aan het werk, maar gaan nog even naar het toilet of beginnen iets anders, als het maar niet de opdracht is.

Hoe kan je hen helpen?

  • Moedig een kind aan om gelijk te beginnen.
  • Deel grote taken op in kleinere taken als dit mogelijk is.
  • Laat een kind vooraf bedenken hoe en wanneer hij de taak doet.
  • Laat een kind verzinnen hoe je hem kunt aansporen, bijvoorbeeld met een wekker.
  • Zorg voor een visuele herinnering.

Bovenstaande vaardigheden zijn ook nodig voor het maken van huiswerk of rommel opruimen. Hiervoor is tevens de executieve functie organisatie nodig. Binnenkort lees je daar meer over in het artikel Als huiswerk maken niet vanzelf gaat.