**//sticky ads code//**
Hoe leer je een kind om te gaan met verkeer?

Hoe leer je een kind om te gaan met verkeer?

Gezien de toegenomen verkeersdrukte laten we kinderen steeds later zelfstandig over straat gaan. De laatste vijfentwintig jaar is deze leeftijd omhoog gegaan van 6 jaar in 1970, naar 8 jaar in 1993 tot 9 jaar in 2001. Om kinderen te leren omgaan met verkeer is het belangrijk dat ze ervaring op doen in de praktijk. Veel oefenen dus!

Vroeg beginnen

Als kinderen jonge zijn, laten ze zich snel afleiden. Ze kunnen het verkeer niet goed overzien. Ook kunnen ze een verkeerssituatie niet goed inschatten en niet snel veilige beslissingen nemen. Door een kind te trainen, krijgt hij de kans om dit stap voor stap te leren.
Je kunt hier al vroeg mee beginnen als je samen deel neemt aan het verkeer. Zeg wat je doet: “We kijken links, rechts en weer links. Oversteken!” Geleidelijk zal een kind dit gedrag overnemen.

Gezichtsvermogen en gehoor

Jonge kinderen hebben een smal blikveld (kokerblik). Bij oversteekoefeningen moet hen geleerd worden het hoofd helemaal naar links en naar rechts te draaien, zodat ze het aankomende verkeer ook echt kunnen ZIEN.

Jonge kinderen hebben een diffuus gehoor.  Dat betekent dat ze wel geluiden horen, maar nog niet kunnen bepalen uit welke richting dat geluid komt. Kinderen kunnen daarom soms helemaal verschrikt stil blijven staan, wanneer ze harde geluiden in het verkeer horen.

Andere weggebruikers

Train een kind ook om aandacht te besteden aan andere weggebruikers. Jonge kinderen letten meer op zichzelf dan op anderen. Maar ze kunnen ook veel minder snel reageren op onverwachte situaties dan volwassenen.

Het is dus goed om ze te leren goed om zich heen te kijken. En te letten op wat andere mensen doen. Vraag bijvoorbeeld wat die auto gaat doen die zijn knipperlicht heeft aangezet. En wat is dat piepende geluid van die stilstaande vrachtwagen voor een signaal?

Reactievermogen

Het reactievermogen van jonge kinderen is volop in ontwikkeling. Van harde geluiden en plotseling gevaar kunnen ze erg schrikken en primitief reageren. Meestal zullen ze dan acuut stil blijven staan en om zich heen kijken. Iets wat midden op de straat heel gevaarlijk is.

Het is goed om met kinderen een noodstop te oefenen. Zodat ze snel kunnen stoppen op een veilige plaats als dat nodig is. Als je “Stop” roept, moet een kind direct snel kunnen remmen en pas als de fiets helemaal stilstaat de voeten op de grond zetten.

Alleen naar school fietsen

Er is niet een bepaalde leeftijd, waarop een kind alleen naar school kan fietsen. Het ene kind kan dit eerder dan het andere kind. De ene weg naar school is ook de andere niet. Het gaat om het gevoel dat je als ouder hierbij hebt. Over het algemeen kan een kind van 9 jaar zonder begeleiding alleen met de fiets over straat. Zelf onderweg zijn geeft een kind ruimtelijk inzicht. Dat helpt het zelfvertrouwen waardoor het kind zich sneller zelf zal kunnen redden, ook in het verkeer. Een kind dat altijd naar school wordt gebracht met de auto, zal niet ineens als het 9 jaar is zelfstandig met de fiets kunnen.

 

Waarom is het goed als kinderen leren programmeren?

Waarom is het goed als kinderen leren programmeren?

Ieder kind zou moeten leren programmeren. Dat zijn geluiden die je steeds vaker hoort. Maar waarom eigenlijk? Wat zijn nu de voordelen van het leren programmeren?

Kritisch denken en probleemoplossend vermogen

Programmeren gaat ook over het leren oplossen van (ingewikkelde) puzzels. Als programmeur ben je vooral bezig met het doorgronden van complexe problemen. En hier met logisch denken een creatieve oplossing voor te vinden. Computational thinking wordt daarbij gezien als de kernvaardigheid die kinderen zouden moeten leren, waardoor ze beter leren denken.

Leren falen

Programmeren is niet eenvoudig. Sterker nog, ook een eenvoudig programma is al snel complex! De directe feedback (iets werkt, of het werkt niet) levert een belangrijke les op: falen is noodzakelijk. Door veel fouten te maken kom je steeds een stapje verder, en hoewel dit in het begin lastig is zorgt het ervoor dat je als kind steeds beter wordt in het omgaan met falen. En dat is voor een leerproces belangrijk!

Creëren

Leren programmeren heeft ook een ‘scheppende kant’. Het is een andere manier om digitaal ideeën tot leven te wekken. Verhalen van kinderen die een eigen app of game ontwerpen klinken nog steeds als bijzonder, maar dat kan ook gewoon de normale gang van zaken zijn. Het is daarbij een extra middel om creativiteit om te zetten in een tastbaar product. Dit is ook een van de redenen waarom programmeren vaak gekoppeld wordt aan het label ‘maakonderwijs’.

Baankansen

In het bedrijfsleven zijn veel voorstanders voor programmeren op school. Er is een grote vraag naar mensen die met een of meerdere programmeertalen uit de voeten kunnen. Vooralsnog is het aanbod aan mensen die dit kunnen te klein. Door kinderen vanaf de basisschool te leren programmeren, kunnen ze op jonge leeftijd ontdekken wat de mogelijkheden zijn.

Snappen hoe de wereld werkt

Door te snappen hoe een algoritme werkt. Door zelf een algoritme te schrijven, begrijp je beter hoe zoiets als een ‘filterbubbel’ ontstaat. In tijden van nepnieuws en factchecking is het belangrijk om te begrijpen hoe bepaald nieuws tot je komt. In de toekomst zal dit alleen maar meer worden, wanneer kunstmatige intelligentie een steeds grotere rol krijgt. Door te leren programmeren zul je niet direct je eigen (digitale) assistent kunnen ontwikkelen, maar je snapt wel beter hoe dergelijke systemen werken.

Heeft je kind nog geen programmeren op school, bekijk dan eens een gratis app om te leren programmeren.

bron: vernieuwenderwijs.nl

 

Wat leert een kind van kunst?

Wat leert een kind van kunst?

Kinderen al vanaf jonge leeftijd in aanraking brengen met kunst is belangrijk voor hun ontwikkeling.  Maar waarom is kunst belangrijk voor kinderen? 

Het brein wil gestimuleerd worden. En deze stimulans moeten van buitenaf komen. Kunst doet een beroep op creativiteit en is daarin uniek. Bij kunst gaat het de unieke combinatie van rust, ideeën, sociaal of alleen bezig zijn. Ergens helemaal in opgaan, in combinatie met je emoties  voelen. Het gaat hierbij niet alleen om blijdschap of verdriet. De trots die een kind voelt als hij iets heeft gemaakt. De waardering die hij van andere krijgt. De uitdaging van steeds iets nieuws willen verzinnen. Vooral dat laatste is bij het maken van kunst heel belangrijk, aldus
professor Erik Scherder.

Wanneer je een kind kunst aanbiedt, dan bouw zijn brein, omdat het een verrijking is, aan meer contactpunten. Hoe meer van deze synapsen, hoe complexer zijn hersenen worden. En daarmee beschermen de hersenen zichzelf eigenlijk als het ware tegen het ontstaan van ouderdomsziekten. Alle bijdragen die je hieraan kunt bijdragen, juist in de eerste levensjaren, zijn ontzettend belangrijk.
Wanneer iemand naar kunst kijkt, ontstaan er activiteiten in de hersenstam. Dan raakt de hele schors actief. En een dikkere schors in de groei van het leven betekent ook dat je in staat bent tot veel beter denken: spreken, rekenen en nog veel meer andere dingen.”

Waarom is kunst belangrijk voor kinderen?

Volgens Elliot Eisner, actief op het gebied van kunstonderwijs ontwikkelt kunst de denkvermogens van leerlingen. Hij noemde veel lessen die kinderen leren van kunst. Zes belangrijke dingen die kinderen leren van kunst zijn:

  • Kinderen leren om tot een goed oordeel te komen over betekenisvolle relaties. Op school gaat het vaak om het geven van goede antwoorden. Bij kunst gaat het om een eigen oordeel of mening
  • Van kunst leren kinderen dat problemen meer dan één oplossing kunnen hebben en vragen meer dan één antwoord.
  • Kunst maakt kinderen duidelijk dat woorden en cijfers niet genoeg zijn om uit te drukken wat we weten. De grenzen van onze taal zijn niet de grenzen van ons denken.
  • Van kunst leren kinderen dat kleine verschillen grote effecten kunnen hebben.
  • Door kunst leren kinderen meer denken in materiaal. Alle kunstvormen gebruiken middelen om ideeën werkelijkheid te maken.
  • Kunst biedt een ervaring die kinderen op geen enkele andere manier meemaken. Door die ervaring ontdekken ze de reikwijdte en variëteit van wat ze kunnen voelen.
  • Er bestaat een verband tussen muziek spelen en ruimtelijk inzicht, waarbij het effect groter is als kinderen ook leren om bladmuziek te lezen. 
Weet jij welke leerstijl je kind heeft?

Weet jij welke leerstijl je kind heeft?

Ieder kind leert anders. Elk kind heeft zijn eigen leerstijl. Zowel op school als daar buiten. Kolb (een bekende Amerikaanse psycholoog) maakt onderscheidt in abstract of concreet en actief of reflecterend. Dit lever vier combinaties op, die overeenkomt met vier verschillende leerstijlen. Elke leerstijl vraagt een andere manier van stimuleren.

De dromer: analyseren en abstract denken

De dromer wil ‘eerst denken, dan doen’. Hij denkt na over verschillende situaties en probeert zich hierin in te leven. Hierdoor ziet hij vaak meerdere (goede) oplossingen, maar twijfelt over een beslissing. Hij kan zich goed inleven in verschillende situaties en kan een probleem vanuit vele standpunten bekijken. De dromer ziet daardoor vaak sneller oplossingen. Dromers maken en bedenken graag dingen, hier hebben ze echter wel de tijd en ruimte voor nodig.

Hoe stimuleer je de dromer?

Zorg voor verschillende meningen over een probleem, dat stimuleert. Geef dromers de tijd en ruimte om ervaringen te verwerken en hun gevoelens te uiten. Dromers leren het best wanneer de leerkracht de stof met voorbeelden uitlegt. Dromers hebben een hekel aan tijdsdruk. Probeer ze daarom zo min mogelijk onder tijdsdruk werkzaamheden te laten doen.

De denker: waarnemen en overdenken.

Een denker stelt graag onderzoekende vragen. Hij kijkt naar wat er gebeurt en probeert algemene regels daarin te ontdekken, die eventueel met elkaar of met andere ervaringen in verband kunnen worden gebracht. Een denker houdt van logica en redeneren. Een denker leert het beste in gestructureerde situaties. Hij leert het best uit boeken en voordrachten, want die zijn logisch opgebouwd. Denkers kunnen niet goed tegen onzekerheid of wanorde. Ze vragen niet snel om hulp.

Hoe stimuleer je de denker?

Denkers weten graag waarom ze iets leren. Vertel ze dit daarom ook. Een denker heeft orde en rust nodig in de klas, groepswerk is niet echt aan hem besteed. Geef denkers de tijd om zelf het hoe, wat en waarom te ontdekken. Bemoei je niet teveel met een denker. Denkers ervaren dit snel als een inperking van hun ambities.

De beslisser: gestructureerd experimenteren.

De beslisser hakt graag knopen door. De theorie interesseert hem niet zo, wel de oplossing voor het probleem. De beslisser voelt zich goed als hij een stappenplan kan gebruiken om zo stap voor stap het resultaat te kunnen bereiken. Een beslisser leert het meest als hij de kans krijgt om zaken uit te proberen en te oefenen onder begeleiding van een expert.

Hoe stimuleer je de beslisser?

Help de beslisser om een duidelijke rode draad te herkennen in de leerstof Laat de beslisser zelf een probleem oplossen, geef hem hierbij aanwijzingen en raad. Beslissers leren het best als ze voorbeelden uit de praktijk krijgen. Maak de beslisser duidelijk dat wat hij nu leert, later van pas komt.

De doener: concreet ervaren

Een kind met een uitvoerende leerstijl, wil graag ervaringen opdoen en experimenteren. Als een doener ergens aan begint wil hij ook resultaten zien. Hij werkt graag samen met anderen, komt snel in actie en probeert ook anderen mee te trekken. Een doener kan zich gemakkelijk aanpassen aan nieuwe situaties en onverwachte omstandigheden. Hij kan ongeduldig zijn en gaat snel over tot actie zonder goed na te denken.

Hoe stimuleer je de doener?

Voor een doener is sfeer en menselijk contact heel belangrijk. Je stimuleert een doener door veel samen te doen.
Doeners hebben uitdagingen en spanningsvolle situaties nodig die om snelle keuzes vragen. Ze gaan soms zonder na te denken aan het werk. Evalueer een taak achteraf en help ze hoofd- en bijzaken te onderscheiden. Geef een doener de nodige tijd en ruimte om dingen uit te proberen.

Om een kind optimaal te kunnen laten leren, is het belangrijk je bewust te zijn van zijn leerstijl. Het is wel goed te wisselen tussen leerstijlen. Zo kunnen kinderen ook andere leerstijlen ontwikkelen. Een leerstijl ligt nooit compleet vast, deze is veranderbaar. Helaas wordt er in het onderwijs vaak onvoldoende rekening gehouden met verschillende leerstijlen. De nadruk ligt vooral op verbale vaardigheden.

Dyslexie signalen en tips

Dyslexie signalen en tips

Als een kind moeite heeft met leren lezen behoeft dit niet gelijk te betekenen dat er sprake is van dyslexie. Wanneer kan er sprake zijn van dyslexie? We hebben de belangrijkste dyslexie signalen voor je op een rijtje gezet.

Dyslexie betekent letterlijk: niet kunnen lezen. De term komt uit het Grieks. Dys = niet goed functioneren, beperkt, en lexis = taal of woorden.
Bij dyslexie gaat lezen, spellen en ook zelf schrijven, gezien de leeftijd en het onderwijsniveau te moeizaam. Dit staat los van iemands intelligentie. Dyslexie kan vastgesteld worden met een diagnostisch onderzoek. Bij dit onderzoek wordt eerst het niveau van lezen en spellen bepaald. Daarna volgt onderzoek naar vaardigheden waarop kinderen met dyslexie uitvallen, de dyslexie-indicatoren. Er wordt getest op nauwkeurigheid en snelheid van woordherkenning. Verder wordt gekeken naar vaardigheden waarop kinderen met andere leesproblemen uitvallen, maar kinderen met dyslexie niet.

Wat zijn dyslexie signalen?

Het belangrijkste kenmerk van dyslexie is dat een kind hardnekkige probleem ondervindt bij het leren lezen en spellen op woordniveau. Kinderen met dyslexie hebben veel extra oefening nodig om het (technisch) lezen aan te leren.

Kinderen met dyslexie kunnen moeite hebben :

  • met het verschil te horen tussen klanken als m en n; p, t en k; s, f en g; eu, u en ui
  • met het verschil tussen de letters b en d
  • om de klanken in volgorde te zetten, zoals bij ‘dorp’ en ‘drop’ of ’12’ en ’21’
  • om de aandacht te houden bij gesproken woord , ‘klankinformatie’
  • met het inprenten van reeksen, bijvoorbeeld tafels of spellingsregels
  • met het onthouden van vaste woordcombinaties, uitdrukkingen of gezegdes
  • met het onthouden van losse gegevens, zoals rijtjes, woordjes en jaartallen

Dyslexie en lezen

lezenDe leesproblemen van kinderen met dyslexie vallen het meest op bij hardop lezen. Het kan zijn dat een kind een traag leestempo heeft of de woorden spellend leest. Andere kinderen hebben een hoog leestempo, maar maken juist veel fouten door te raden. Er kan ook sprake zijn van een combinatie van beide.

Dyslexie en spelling

Kinderen met dyslexie maken langdurig veel spellingfouten en hebben, omdat te voorkomen, veel steun nodig van spellingsregels. Het kan zijn dat ze één bepaald woord op een bladzijde op verschillende manieren spellen. Kinderen met dyslexie proberen vaak de spelling van specifieke woorden te onthouden. Dit is een enorme belasting voor het geheugen. De losse woorden worden gemakkelijk weer vergeten omdat het op een ongestructureerde manier in het geheugen worden opgeslagen.

Dyslexie en schrijven

Kinderen met dyslexie schrijven vaak slordig en onleesbaar. Ze maken veel doorhalingen. Bij kinderen die wel leesbaar schrijven, valt op dat ze langzaam schrijven.

Tips om kinderen te helpen met hun dyslexie

  • Oefen regelmatig met een kind, waarbij het beter is vier keer 15 minuten te lezen, dan één keer een uur.
  • Kies boekjes die aansluiten bij het leesniveau op school. Vraag hiervoor tips aan school.
  • Zorg dat het leuk, gezellig en ontspannen is tijdens het lezen, zodat een kind gemotiveerd blijft.
  • Zorg voor voldoende afwisseling in de oefeningen, bijvoorbeeld door af en toe stripboeken, korte verhalen en informatieve boeken te kiezen.
  • Zet woorden waar een kind moeite mee heeft op kleine papiertjes en ga deze oefenen door ze te flitsen (snel achter elkaar neerleggen terwijl een kind de woorden hardop leest)
  • Ganzenborden met woorden. Schrijf de moeilijke woorden op een klein (gekleurd) papiertje. Legt deze in een cirkel of in de vorm van ganzenbord. Je hebt twee pionnen en een dobbelsteen. Om de beurt gooien, de dobbelsteen geeft aan hoeveel stappen iemand vooruit mag. Bij elke stap zegt je het woord welke op het papiertje staat. Maakt iemand een fout dan mag de ander het ook nog één keer proberen en één plaatsje vooruit. Wie het eerst bij de finish is heeft gewonnen.

beeld: 123RF Stockfoto

Digitale kinderenboeken stimuleren taalontwikkeling

Digitale kinderenboeken stimuleren taalontwikkeling

Digitale kinderboeken bevatten vertelmiddelen die niet mogelijk zijn in gedrukte boeken. Zoals filmpjes, animaties, muziek, achtergrondgeluid en aanklikbare hotspots. Denk hierbij aan spelletjes, quizvragen over het verhaal of een “karaokebalk” die met de tekst meeloopt.  Uit onderzoek blijkt dat dit een positief effect heeft op de woordenschat en het verhaalbegrip van kinderen, die moeite hebben met taal of een taalachterstand hebben.

Digitale kinderenboeken bieden steun bij voorlezen en zelf lezen

Een audio-opname van het verhaal fungeert als een gelijkwaardige ‘stand-in’ voor een voorlezende volwassene.  Al is samen lezen natuurlijk gezelliger. Maar kinderen begrijpen het verhaal even goed. 
Een luisterversie werkt optimaal als de woorden per lettergreep of per letter worden voorgelezen. Het ‘opknippen’ van woorden helpt kleuters bij het ontwikkelen van fonetisch bewustzijn.

Een luisterversie biedt tevens aan beginnende lezers ondersteuning. Als zij het verhaal gelijktijdig voorgelezen krijgen én zelf (mee)lezen, is hun begrip diepgaander. De luisterversie helpt hen met name bij moeilijke woorden en zinnen.

Dyslectici verwerken de tekst bovendien sneller als ze deze gelijktijdig lezen en beluisteren. Kinderen met leesproblemen (zoals dyslexie) vinden het plezierig om gebruik te maken van digitale lees- en luisterboeken.

Animaties bieden meer informatie dan prenten

Kinderen hebben er baat bij als verbale en visuele informatie naast elkaar worden gepresenteerd, zoals gebeurt in digitale kinderenboeken. Beeld kan helpen om het voorgelezen verhaal beter te begrijpen. Gedrukte boeken bieden steun in de vorm van statische prenten. Het effect van bewegende beelden en animaties in digitale boeken is positiever. Kinderen gaan dankzij het lezen van een geanimeerd prentenboek sterker vooruit in hun verhaalbegrip en woordenschat dan bij een statisch prentenboek.

Zwakke lezers plukken in het bijzonder de vruchten van multimedia. Kinderen met een taalachterstand komen tot een beter begrip van het verhaal. Ook boeken zij meer vooruitgang op hun woordenschat

Ook kinderen met concentratie problemen kunnen door de animatie hun aandacht beter bij het verhaal houden.
Kleuters met een ‘normale’ taalontwikkeling leren eveneens meer nieuwe woorden, maar bij hen bestaat er geen effect op hun begrip en taalvaardigheid. Ze blijven, ook na meerdere keren voorlezen, wel geboeider door animaties dan door prenten.

Multimedia hebben als meerwaarde dat ze, dankzij de beweging, een indruk geven van het tijdsverloop van het verhaal. Kinderen leren daardoor niet alleen de gebeurtenissen, maar ook de oorzaken en gevolgen daarvan te doorgronden. Bovendien biedt de camera de mogelijkheid om in te zoomen op details in het plaatje. Dat helpt kinderen om de betekenis van woord en beeld met elkaar te verbinden.

bron: leesmonitor