**//sticky ads code//**
5 misvattingen over kinderen met dyslexie!

5 misvattingen over kinderen met dyslexie!

Wat mensen vaak niet weten is dat kinderen met dyslexie vaak creatiever dan hun leeftijdgenootjes. Ze kunnen ook een enorm goed taalgeheugen hebben.

Dyslectische kinderen bedenken manieren om de voor hen moeilijke woorden te omzeilen en spelen zodoende met hun woordgebruik. Toch hebben kinderen met dyslexie nog altijd te maken met een hoop vooroordelen. We hebben er een aantal op een rijtje gezet en proberen er een stukje duidelijkheid over te geven.

1. Kinderen met dyslexie willen niet lezen

Ze willen wel lezen, maar lezen kost dyslectici enorm veel moeite. Als het keer op keer niet lukt, raken dyslectische kinderen vaak ontmoedigd. Met de juiste boeken op het juiste moment lukt het vaak wel. Dat wil zeggen met boeken met een lager AVI-niveau, met een onderwerp dat aansluit op de belevingswereld en leeftijd van het kind.

2. Wie dyslexie heeft is dom

Als je zelf goed kunt lezen is het soms moeilijk je voor te stellen hoe het is om minder goed te kunnen lezen. Taal is vaak een extra belemmering zijn voor kinderen met dyslexie, ook bij andere vakken zoals aardrijkskunde of rekenen, daar moet soms veel gelezen worden. Uit onderzoek blijkt echter dat dyslexie voorkomt in alle lagen van de bevolking en los staat van intelligentie.

3. Dyslexie is een modeverschijnsel

Dyslexie is al jarenlang erkend. Uit onderzoek blijkt dat kinderen met dyslexie door een kleine stoornis de koppeling tussen letters en klanken niet goed kunnen maken.

4. Dyslexie is een excuus om de regels niet te hoeven leren

Kinderen met dyslexie zijn vaak zo met taal bezig, dat ze het tegenovergesteld van lui zijn. Tijdens het leren lezen moeten dyslectische kinderen meer moeite doen om de klanken die ze horen in een gesproken woord te koppelen aan letters. Het probleem is dus vooral het leren te automatiseren van de regels.

5. Dyslexie gaat over

Veel oefening en leeservaring is een noodzakelijke voorwaarde om de lees- en spellingvaardigheid op een beter, functioneel niveau te krijgen. Dat geldt voor normale lezers en ook voor dyslectici. Kinderen kunnen al op jonge leeftijd heel goed om leren gaan met dyslexie, het gaat echter nooit helemaal over.

 

Leerproblemen en primaire reflexen

Leerproblemen en primaire reflexen

Primaire Reflexen zijn essentieel voor de ontwikkeling van de mens. Deze reflexen, zoals de zuig- en grijpreflex, zijn nodig om de fase van hulpeloosheid naar zelfredzaamheid te kunnen overbruggen.

Asymmetrische Tonische Nek Reflex ( ATNR ) wordt ook wel de “leerreflex” genoemd. Deze reflex is belangrijk voor leervaardigheden. Deze reflex speelt een belangrijke rol bij het tot stand komen van de oog-hand coördinatie en de ontwikkeling van het visuele en auditieve systeem (ogen en oren) 

Vaak is het leerproces van kinderen met een niet goed afgesloten ATNR erg moeizaam. Doordat de oog-hand handcoördinatie niet in orde is, zijn er vaak visuele problemen. Informatie via de ogen komt een fractie van een seconde na elkaar binnen of wordt ongelijkmatig verwerkt. Dit is vervelend als je een bal wil vangen, maar belemmert ook het schrijven, spellen en lezen. Een kind moet zijn hoofd draaien van het schoolbord of zijn boek, naar zijn schrift. 

Dyslexie

Kinderen met een actieve ATNR kunnen vrijwel niet automatiseren. Dit kan hun leerproces op school moeilijk maken. Vaak komt er dyslexie of dyscalculie voor bij deze kinderen.

Schrijfproblemen

Het is voor een kind met ATNR problemen bijna onmogelijk om netjes te schrijven. Iedere keer als ze hun hoofd draaien om te kijken naar het papier, wil hun arm zich strekken en wil de hand zich openen. Probeer dan maar eens om je pen goed vast te houden en je tegelijk te concentreren op de inhoud! 

Een kind merkt dat het schrijven moeizaam gaat. Hij probeert dit te compenseren, dit leidt vaak tot een krampachtige, verkeerde pengreep en spanning in het lichaam. Schrijven gaat schots en scheef, in verschillende richtingen en van de ene kant van de pagina naar de andere. Er zijn kinderen die hun papier 90 graden draaien om makkelijker te kunnen schrijven.

Leesproblemen

Kinderen ondervinden problemen bij het lezen. Hun ogen gaan niet soepel van de ene kant van de pagina naar de andere, ze verspringen. Hierdoor raken ze de plaats in de tekst kwijt. Dit maakt het moeilijk om een tekst goed te begrijpen.

Lateralisatie problemen

Het lateralisatieproces is het rijpingsproces van beiden hersenhelften, waarbij één helft zich gaat ontwikkelen tot de dominante helft. Beiden hersenhelften kunnen dan goed gaan samenwerken. Bij sommige kinderen verloopt dit proces niet goed. Bij kinderen met dyslexie of hoogbegaafdheid komt het zelfs vaak voor dat ze niet goed lateraliseren. Ze slaan vroege ontwikkelingsfasen over omdat ze anders leren. Kinderen hebben vaak problemen met lezen, schrijven, verwisselen de b en d om,  maar ook cijfers worden vaak omgekeerd. Het werktempo van deze kinderen ligt ook vaak lager.

Reflex integratie therapie kan helpen bij het verminderen van de problemen die ontstaan als gevolg van een actieve reflex

Deze talenten zijn nodig in de maatschappij!

Deze talenten zijn nodig in de maatschappij!

Komt je kind niet zo lekker mee op school, maar is hij best een slim mensje. Blijf hem positief stimuleren want het komt allemaal goed. Wellicht verwerkt hij informatie op een andere manier, is hij wat ze noemen een conceptueel denker.

Wat is conceptueel denken?

Conceptueel denken is vooral denken via de rechter hersenhelft. Ze hebben een “andere manier” van denken en informatie verwerken. Vaak hebben deze kinderen het label AD(H)D, hoogbegaafdheid, dyslexie, dyscalculie en autisme gekregen. Al zijn er ook conceptueel denkers die onbekend zijn met een van deze diagnoses of labels.

Er zijn diverse wetenschappers die een toekomstbeeld van onze maatschappij neerzetten waarin conceptueel denkers in het voordeel zijn op lijndenkers.
Met de toename van welvaart, technologie en globalisering, zijn de veranderingen in onze maatschappij de laatste 150 jaar super snel gegaan. 150 jaar geleden waren we nog een agrarische samenleving, maar met de komst van machines en fabrieken wordt steeds meer arbeid van de mens overgenomen.
De opkomst van computers heeft dit nog verder versneld. We zitten nu in een informatietijdperk met een kenniseconomie en grote kantoren.

Er wordt vooral een appél gedaan op hoe wij omgaan met informatie, op het maken van analyses en het logische denken. Het lijndenken is daarin nog dominant. Maar met alle ontwikkelingen die gaande zijn, staan we op de rand van het conceptuele tijdperk. Een tijdperk wat een beroep doet op onze creativiteit, op ons beeldend vermogen, op onze organisatorische vaardigheden, ons inlevingsvermogen en onze innovatief vermogen. Een nieuw tijdperk wat ontzettend veel kansen biedt aan conceptuele denkers.

Problemen van conceptueel denkers

Een probleem waar conceptueel denkers tegen aanlopen is dat hun manier van denken niet in het schoolsysteem past. Kinderen voelen zich vaak niet begrepen of gezien. Ze werken hard zonder dat dit het gewenste resultaten oplevert. Dit gebeurt op school maar ook vaak in de rest van hun loopbaan. Dan wordt het aan het karakter of de capaciteiten toegeschreven dat iemand niet goed presteert: “hij is gewoon een beetje dom”, “zij is niet zo ambitieus, eigenlijk een beetje lui”, of “hij is niet zo’n doorzetter”.

Conceptueel denkers hebben regelmatig moeite met nauwkeurig lezen. Ze zien gemakkelijk details over het hoofd. Zowel mondeling als schriftelijk hebben ze moeite met het structureren van hun verhaal, het vertellen van begin naar einde.

Als gevolg van dergelijke problemen ontwikkelen veel conceptueel denkers faalangst in de vorm van bijvoorbeeld perfectionisme, uitstelgedrag, onderpresteren of prestatiedrang. Door spanning vertraagt de niet-dominante hersenhelft, de linker hersenhelft bij conceptueel denkers. De linker hersenhelft heb je nodig voor het verwerken van taal, om stappen van klein naar groot of van begin naar einde te maken. Onder te veel spanning of stress worden bij conceptueel denkers dus de lijn, de details, de routinematigheid uitgeschakeld, waardoor het conceptuele denken verandert in chaos.

Wij denken dat dit geen stoornis is. Conceptueel denkers hebben vaak een label gekregen omdat ze tot een minderheid behoren
Een minderheid, net als linkshandigen of roodharigen. Een minderheid die anders denkt en kijkt en daardoor een heel andere blik op de wereld werpt! Een andere blik die hard nodig is in deze tijd.

bron: geniaaloprechts.nl

Wat je als ouder moet weten over faalangst!

Wat je als ouder moet weten over faalangst!

Spanning hoort bij het leveren van prestaties. Te weinig of te veel spanning zorgt voor een slechte prestatie, een goed spanningsniveau zorgt voor een goede prestatie. Sommige kinderen hebben hun spanning niet onder controle. Het gebrek aan zelfvertrouwen dat daarvan het gevolg is, zorgt ervoor dat hun geloof in het ‘eigen’ kunnen wordt vertroebeld.

Faalangst is angst om te falen. Een kind met faalangst heeft angst om fouten te maken of iets niet goed te doen in situaties waarin ze beoordeeld worden, of waarin zij zichzelf beoordelen.

Hoe kan faalangst ontstaan?

Faalangst is angst dat vaak gekoppeld is aan schoolprestaties en beoordeeld worden. De sociale omgeving die invloed heeft op je kind (met faalangst) zijn voornamelijk leerkrachten, ouders, vrienden en klasgenoten.
Door gedrag van een specifiek persoon (bijvoorbeeld de leerkracht) kan faalangst ontstaan. De manier waarop een leerkracht prestaties van leerlingen beoordeelt, speelt een belangrijke rol.
Een competitieve sfeer onder klasgenoten zorgt voor meer druk om te presteren.
Ook de thuissituatie kan invloed hebben op faalangst bij je kind. Wanneer je als ouder(s) prestatiegericht bent, hoge verwachtingen hebt van je kind en je kind onder druk zet om te presteren kan dit tot faalangst leiden.
Een andere mogelijkheid is wanneer je als ouder zelf faalangst hebt. Je kind kan jou als model zien, waardoor de faalangst van je kind wordt versterkt.

Kinderen schamen zich er vaak voor dat ze angstig zijn voor bepaalde situaties en praten er daarom niet makkelijk thuis over. Daarom is het voor jou als ouder niet altijd makkelijk te herkennen.

Hoe kun je faalangst herkennen?

Je hebt 3 soorten faalangst.

  • Cognitief: Angst om ‘slechte’ leerprestaties te laten zien (toetsen, huiswerk)
  • Sociaal: Angst om afgewezen of slecht beoordeeld te worden (spreekbeurt, voorlezen, vrienden maken)
  • Motorisch: Angst om fouten te maken bij het uitvoeren van lichamelijk handelen (sport, gymnastiekles, tekenen)

Deze kunnen afzonderlijk bestaan, maar meestal overlappen ze elkaar.

✩Bij jongeren kan ook het eigen uiterlijk aanleiding zijn tot faalangst.

Je hebt 2 types

  1. Passief faalangstige kinderen gaan moeilijke situaties uit de weg, zij vermijden fouten en kritiek.
    Kenmerken: vaak bevestiging vragen, twijfelen om aan iets te beginnen, antwoorden uit de weg gaan, weinig tot niet studeren (spijbelen), opstandig, rustig/teruggetrokken of druk gedrag.
  2. Actief faalangstige kinderen willen alles goed doen, maximum aan inspanning om een mislukking te voorkomen.
    Kenmerken: braaf, werken hard, perfect doen wat gevraagd wordt, krampachtig (op)volgen, weinig sociale contacten, weinig tijd voor ontspanning en/of hobby’s.

ijverig_meisje

Deze laatste groep wordt denk ik dikwijls niet (h)erkend omdat zij vaak als de ideale leerling worden gezien: gemotiveerd, hard werkend voor hoge cijfers. Bij dit type faalangst, is het belangrijk dat je, naast dat het een positief effect heeft op de prestaties, beseft dat dit een sterk negatief effect kan hebben op het welbevinden van je kind!

Faalangst uit zich ook vaak in lichamelijke klachten: hartkloppingen, zweten, maagklachten, darmklachten, hoofdpijn, slapeloosheid, hyperventilatie en trillen.

Wat kun je als ouder doen?

  • Stel geen hoge verwachtingen, kijk naar wat je kind aankan.
  • Probeer het vertrouwen in je kind over te brengen, geloven in dat hij/zij het kan.
  • Positief benaderen en leg de nadruk op wat (al wel) goed gaat.
  • Stimuleer je kind, zonder dwang, om toch datgene te doen waar het tegen opziet.
  • Maak duidelijk dat niet alles in één keer goed hoeft te gaan. Van fouten leer je!
  • Bespreek de stapjes voorwaarts, maak kenbaar dat je zijn/haar inzet ziet.
  • Neem niet (te snel) dingen uit handen omdat jij denkt dat het beter of sneller kan.
  • Zorg dat je kind aan ontspanning toekomt. Maak samen een huiswerkschema.
  • Stimuleer ontspanning (sport, muziek of hobby, omgang vrienden).
  • Bespreek indien nodig met school, sportvereniging en houdt contact.
  • Maak tijd SAMEN. Creëer rust en ruimte, een gevoel van geborgenheid waarin je kind zich veilig voelt.

Keer op keer geconfronteerd worden met (faal)angst kan ervoor zorgen dat je kind in een vicieuze cirkel beland waarmee de angst om te falen zich kan uitkristalliseren op meerdere terreinen/vlakken.
Tijdige onderkenning en je kind leren ermee om te gaan is daarom belangrijk.

Stella KinderJeugdCoach heeft ook een Facebook pagina. Hier vind je verschillende artikelen, columns van Stella, tips, leuke en handige weetjes…en meer…

Een hooggevoelig kind dat prikkels opzoekt: waarom?

Een hooggevoelig kind dat prikkels opzoekt: waarom?

Hooggevoelige kinderen verschillen in de mate waarin ze gevoelig zijn en ook in de mate waarin ze wilskrachtig zijn. Een kind dat in hoge mate wilskrachtig is, wordt ook wel strong-willed genoemd. In de literatuur wordt gesproken over de high sensation seeker (hss) of sensatiezoekers.

Uit onderzoek blijkt dat 30% van de hooggevoelige mensen ook een grote wilskracht heeft,  sensatie zoekers zijn. De overige 70% van de hooggevoelige mensen zijn rustzoekers.

Hoe valt het te rijmen dat een kind wat niet goed tegen prikkels kan, deze zelf op zoekt. Aan de ene kant is een kind gevoelig voor labels in zijn kleding en schrikt van de strenge woorden van de juf. Aan de andere kant wil een kind van alles ondernemen en schreeuwt tegen anderen, alles om zijn zin te krijgen.

Hoe kan dit?

Om deze tegenstrijdigheid te begrijpen moeten we naar de persoonlijke eigenschappen van een kind kijken. Het probleem van een sensatie zoeker is dat hij vaak overprikkeld is, maar ook snel op dingen uitgekeken. Hij kan bruisen van de ideeën en een vol hoofd krijgen. Hij heeft regelmatig behoefte aan uitdaging en prikkels, want anders vindt hij het maar saai. Ook heeft hij behoefte aan rust en soms aan afzondering. Dit kan soms verwarrend voor hemzelf of anderen zijn.

Wanneer iemand strong willed is, heeft hij een sterk ‘innerlijk kompas’. Hij weet wat hij wel en niet wilt en wat hij moreel en ethisch goed vindt. Hij heeft een zeer sterk rechtvaardigheidsgevoel. Mensen die strong willed zijn doen daarom niet zomaar wat een ander zegt. Ze moeten er écht van overtuigd zijn. Veranderingen juichen ze ook niet toe, tenzij ze het zelf willen.

Als iemand extravert is, krijgt hij energie van contact met anderen. Introverte mensen laden zich juist op als ze alleen zijn. Extraverte mensen staan graag in het middelpunt van de belangstelling. Als iemand ook hoogsensitief is, komen alle prikkels uit die sociale contacten wel harder binnen. Daardoor raakt iemand makkelijk overprikkeld.

Opvoeding

Het opvoeden van hoogsensitieve kinderen met een sterke, vraagt soms veel van ouders. Vooral het dwingende karakter, de woedeaanvallen en de aandacht die het kind vraagt kosten veel energie. Extraverte kinderen lijken altijd wat te willen (van ouders). Ze zijn veelal zeer aanwezig en kunnen snel boos worden.

Extraverte hoogsensitieve kinderen hebben minder problemen in het afspreken met vriendjes. Hun zelfvertrouwen is vaak wat groter. Ze kunnen genieten van nieuwe dingen en gaan graag uitdagingen aan.

Onnodige diagnose ADHD of ADD

Onnodige diagnose ADHD of ADD

Steeds vaker wordt er bij kinderen de diagnose ADHD of ADD gesteld. Waarbij het soms de vraag is of dit wel terecht is. Soms denkt een kind anders, verwerkt hij informatie op een andere manier. Wat kan leiden tot de onnodige diagnose ADHD of ADD

Er zijn veel beelddenkers met ADHD, bijna alle ADHD-ers hebben een voorkeur voor het denken met de rechter hersenhelft. De zwakke linker hersenhelft zorgt namelijk voor de ADHD. Het gevolg is dat ADHD-ers bij voorkeur in beelden denken.

Verschil tussen ADHD en beelddenken

ADHD is een neurobiologische stoornis en beelddenken is een manier van denken en leren. ADHD en beelddenken hebben een grote overlap.  Wanneer beelddenkers informatie op een voor hun passende manier tot zich kunnen nemen, kunnen de ADHD verschijnselen afnemen. Kinderen worden minder druk en voelen meer rust in hun hoofd. Het doet ze goed hun hersens te gebruiken op een manier die bij ze past. Daar kunnen ze veel energie in kwijt.

Overeenkomsten tussen ADHD en beelddenken zijn, aandachtsproblemen, snel afgeleid zijn, moeite met details, hyperfocus, hyperactiviteit, vergeetachtigheid, weinig tijdsbesef, onrustig en drukte in het hoofd. 

Het verschil tussen ADHD en beelddenken, zit hem de in de mate van extreme drukte en impulsiviteit.

Ontwikkeling kinderen

Iedereen wordt geboren als beelddenker. Als baby kun je niet praten en als klein kind denk je in plaatjes. Of iemand beelddenker is wordt rond het zevende levensjaar bepaald, als kinderen in groep drie leren lezen en schrijven.

Kinderen kunnen zich als ze ouder worden prima verstaanbaar maken. In hun hoofd zien ze nog wel steeds veel plaatjes. Bij het leren lezen en schrijven wordt er in de hersenen onbewust een keuze gemaakt,  sommige kinderen blijven primair in plaatjes denken, anderen schakelen over naar talig denken. Uit onderzoek blijkt dat 53% van de kinderen in meer of mindere mate in beelden denkt. Daarvan kan ongeveer 30% prima meekomen op school, hun hersenen hebben voldoende compensatiemogelijkheden. Bij circa 20% is de rechterhersenhelft zo dominant dat ze vastlopen op school.

Hoe denkt een beelddenker

Beelddenkers zien ongeveer 32 beelden per seconde, tegenover twee woorden per seconde van een taaldenker. Ter vergelijking: op televisie zien we ongeveer 25 beelden per seconde.  Bij die beelden horen de echte beelddenkers vaak ook geluid en voelen ze van alles. Het is dus een complete chaos in hun hoofd

Gedrag in de klas

Een beelddenker valt op in de klas omdat het leren lezen traag en radend gaat. Ze lezen mama terwijl er moeder staat bijvoorbeeld. In hun werk zijn ze chaotisch, kunnen zich maar moeilijk concentreren, kijken naar het geheel, missen veel details.  Ze zijn in hun hoofd constant aan het associëren. Waardoor ze gemakkelijk afgeleid zijn. Er wordt bijvoorbeeld een rekensom uitgelegd aan de hand van koekjes. Een kind denkt aan zijn favoriete koekje, die hij laatst samen met zijn moeder in de supermarkt had gekocht. Onderweg daarheen hadden ze een mooie sportwagen zien rijden. En weg is de aandacht en concentratie!

Alle woorden die de beelddenker ontvangt worden in hun hoofd vertaald naar beelden om te kunnen begrijpen wat er gezegd is. Als ze een vraag moeten beantwoorden zal ook het antwoord weer vertaald moeten worden van beeld naar woord. Het vertalen en formuleren kost tijd en ze reageren hierdoor trager.

Onnodige diagnose ADHD of ADD

Dat beelddenkers het wel snappen, maar merken dat andere kinderen sneller zijn, kan ze onzeker en faalangstig maken en soms zorgen voor een negatief zelfbeeld. Leerkrachten denken vaak in eerste instantie aan dyslexie en vanwege het onrustige gedrag aan ADHD of ADD.

Beelddenkers vallen tegenwoordig meer op dan vroeger omdat het onderwijs taliger is geworden. Veel rekensommen worden met een verhaaltje uitgelegd. Daarnaast staan er nu veel meer vrouwen voor de klas. Zij geven vaak een langere mondelinge uitleg en bij zo’n waterval aan woorden haken beelddenkers af. Mannen zijn over het algemeen wat bondiger en hebben vaak minder moeite met druk gedrag.

Waar herken je beelddenkers aan

  • Snel van begrip, goed in puzzels en blokpatronen.
  • Werkt en vertelt chaotisch.
  • Sterk ruimtelijk inzicht.
  • Heeft tijd nodig voor werkjes.
  • Herinnert zich gebeurtenissen gedetailleerd (zelfs van jaren geleden)?
  • Grote woordenschat, maar dit komt er niet altijd uit op school.
  • Veel fantasie.
  • Scoort lager bij opdrachten zonder plaatje.
  • Lijkt vaak slecht te luisteren.
  • Werkt vanuit het grote geheel en laat details achterwege.
  • Haalt wisselende cijfers.
  • Is creatief en gevoelig.
  • Heeft moeite met spelling, dictee en tafels.

 

Lees meer over communiceren met beelddenker