**//sticky ads code//**
Hooggevoeligheid bespreken met de leerkracht.

Hooggevoeligheid bespreken met de leerkracht.

Als je kind hooggevoelig is, kun je er niet vanuit gaan dat de leerkracht op school weet wat dit inhoudt. Hoe maak je dit bespreekbaar en zorg je ervoor dat een leerkracht begrijpt wat hooggevoeligheid is?

Op school raakt een hooggevoelig kind eerder overprikkeld dan andere kinderen. Een kind krijgt op school veel prikkels binnen. Innerlijk ervaart een kind dit als spanning. Die spanning kan een kind uiten door te gaan huilen, angstig te worden, door zich terug te trekken of druk te worden. Begrip en goede begeleiding van de leerkracht zijn essentieel om een hooggevoelig kind te helpen op school.

Hoe kun je voorkomen dat een kind overprikkeld raakt in de klas?

  1. Inrichting van het klaslokaal:
    Hooggevoelige kinderen nemen vaak veel waar. Een druk ingericht klaslokaal waar iedere centimeter iets te zien is, voelt niet prettig.
  2. Plek in de klas:
    Zet een hooggevoelig kind niet vooraan of midden in de klas, het kind zal veel achterom kijken, om niets te hoeven missen van wat achter hem gebeurt. Een plek aan de rand van de groep biedt de mogelijkheid alles te overzien.
  3. Filter prikkels:
    Geluiden zijn prikkels die je grotendeels buiten kunt sluiten door een kind gehoorbeschermers te geven voor in de klas. Dit gebeurt al regelmatig op scholen. Een kind kan deze opzetten als hij zich moet concentreren of wanneer hij wil ontspannen door zich even af te sluiten.
  4. Aangesproken worden in de klas:
    Veel hooggevoelige kinderen ervaren hun leerkracht als streng. Dit kan komen door het volume van de stem. Vertel de leerkracht dat je kind snel schrikt van een verheven stem en daarom bang kan worden voor de reactie van docent. Vertel dat het goed werkt als je kind wordt aangesproken als er oogcontact wordt gemaakt en er rustig en langzaam wordt gesproken. Eerst glimlachen doet ook vaak wonderen!
  5. Verbonden voelen:
    Een hooggevoelig kind heeft, meer dan andere kinderen, behoefte aan het voelen van verbinding, zeker met een leerkracht die een kind vele uren per week meemaakt. Verbinding stelt een kind gerust en daarmee ontspant een kind. De leerkracht kan op allerlei simpele manieren even verbinding maken met een kind. Een aai over de bol, een glimlach, oogcontact, iets liefs zeggen of even naast het kind gaan zitten.
  6. Structuur bieden:
    Plotselinge of onaangekondigde veranderingen geven een hooggevoelig kind vaak veel stress. Het is een direct gevolg van het feit dat een kind meer zintuiglijk waarneemt dan andere kinderen. Er komt van alles tegelijkertijd binnen, teveel en dan ontstaat er stress. Een hooggevoelig kind is dus gebaat bij een leerkracht die veranderingen in de klas of uitjes van tevoren duidelijk bespreekt. Vertel de leerkracht ook dat je kind deze uitleg nodig heeft om te voorkomen dat hij overprikkeld raakt op het moment zelf.
  7. Zorg voor ontspanning:
    Om prikkels te kunnen verwerken, heeft een kind rust en ontspanning nodig. Als een kind overprikkeld raakt, lukt het ook niet meer goed om informatie op te nemen. Bespreek de mogelijkheden om vaste momenten van ontspanning in te bouwen.
Waarom ontwikkelen beelddenkers sneller faalangst?

Waarom ontwikkelen beelddenkers sneller faalangst?

Beelddenken en faalangst komen vaak samen voor, omdat beelddenkers anders leren. De manier van informatieverwerking, maakt dat kinderen sneller faalangst ontwikkelen.

De linker- en rechterhersenhelft hebben ieder hun eigen specifieke eigenschappen.
Beelddenken werkt voornamelijk vanuit de rechterhersenhelft, maar heeft wel de linkerhersenhelft nodig om optimaal te functioneren. En omgekeerd werkt taaldenken voornamelijk uit de linkerhersenhelft, maar heeft de rechterhersenhelft nodig om optimaal te functioneren.

Andere leerstijl

Beelddenken is een cognitieve stijl die voornamelijk vanuit de rechterhersenhelft werkt. Een cognitieve stijl geeft de manier aan waarop kinderen denken, leren, waarnemen, informatie verwerken en problemen oplossen. Het is een aspect van iemands persoonlijkheid.

Wat gebeurt er bij faalangst?

Bij faalangst neemt de linkerhersenhelft de leiding. Dit betekent dat kinderen bij (faal)angst gericht zijn op details en we niet meer het geheel overzien. En dat is nou net wat een beelddenker nodig heeft. Hij leert vanuit het geheel, maar bij faalangst neemt de linkerhersenhelft de leiding. Dus een beelddenker is het overzicht kwijt. Een beelddenker is het overzicht kwijt, maar belangrijker nog, hij kan geen informatie meer verwerken op zijn eigen wijze. Kinderen die vooral vanuit hun rechterhersenhelft werken, hebben daardoor sneller last van faalangst. Beelddenken en faalangst gaan dus niet samen, de faalangst zal groter worden omdat leren niet meer lukt!

Wetenschappelijk onderzoek

Uit onderzoek kwam naar voren dat de linkerhersenhelft de leiding neemt bij (faal)angst. We zijn onder stress en angst gericht op details en overzien het geheel niet meer.
Het National Institute of Mental Health bij Washington DC heeft onderzoek gedaan naar de werking van het brein en (faal)angst. De neuroloog Ahmad Hariri (2002) heeft dit onderzoek geleid.
Bij dit onderzoek is gebruikgemaakt van een fMRI (functionele Magnetic Resonance Imaging). Een fMRI kan beelden vangen van een brein in actie. Personen binnen in de fMRI werden verschillende opdrachten gegeven om te kijken welke gebieden van het brein actief zijn bij een bepaalde opdracht.
Tijdens het onderzoek liet men personen naar beelden van scènes kijken. Met de fMRI werd gekeken welke gebieden van het brein actief waren bij het zien van beelden met geweren, zwaaiende slechteriken of vergelijkbare situaties. Het onderzoek liet zien dat de linkerhersenhelft de leiding neemt bij faalangst.

Wat is faalangst?

Faalangst is de angst om te mislukken in situaties waarin iemand wordt beoordeeld of denkt te worden beoordeeld. Een angst die belemmerend werkt.
Faalangstige kinderen ontwikkelen een denken vanuit een negatief zelfbeeld. De vrees om te mislukken staat centraal. Dit bepaalt hun denken. `Ik ben dom.` `Als ik maar tijd genoeg heb voor mijn toets.` `Als ik maar niet hardop moet voorlezen!` `Als ik maar weer geen onvoldoende haal!` `Als ze maar begrijpen wat ik zeg!`

Een beelddenker leert anders

Beelddenkers leren vanuit het geheel al associërend naar de kern. Dit gebeurt niet netjes op volgorde. Kinderen die beelddenken gebruiken om hun informatie te verwerven en verwerken hebben het vaak lastig binnen ons talige onderwijs. Binnen ons onderwijs wordt voornamelijk taaldenken gebruikt; er wordt veel nadruk gelegd op volgorde en details en het verwerken van seriële informatie. Dit is nu juist de manier van denken waar beelddenkers moeite mee hebben.

Een beelddenker werkt op overeenkomsten en vanuit het geheel. Een beelddenker zoekt niet naar verschillen.

Het lukt een beelddenkend kind niet goed meer om onder stress zijn voorkeursdenken te hanteren; vanuit het geheel, het overzicht. Hij wordt gedwongen door de stress zich op de details te richten. Het kind blokkeert nog meer… De faalangst is ontstaan!

bron: beeldenbrein

Hooggevoelige kinderen beter begrijpen

Hooggevoelige kinderen beter begrijpen

Een hoogsensitief of hooggevoelig kind neemt meer en intenser waar dan andere kinderen. Een hooggevoelig kind kan omschreven worden als een kind die binnenkomende prikkels “ minder filtert “ dan anderen kinderen.

Het zenuwstelsel van hooggevoelige kinderen werkt bijzonder goed en intensief. Voor niet hooggevoelige personen komt het hooggevoelig kind vaak over als een aansteller of een zeurpiet. Het is belangrijk dat deze kinderen begrepen worden. We willen daarom stil staan bij de relevante kenmerken van een hooggevoelig kind.

Oog voor detail

Hooggevoelige kinderen hebben een oog voor detail. Ze merken meer op van wat er om hen heen gebeurt, dan andere kinderen. Ze voelen dingen sneller aan, ze zijn zich sterk bewust van andermans gevoelens. Ze zijn zorgzaam en empatisch.

Hooggevoelige kinderen denken meer na over wat ze zien en horen. Dit kan ervoor zorgen dat ze veel zitten te piekeren over waarom een kind een ander kind pestte of sociale dilemma’s. Een kind kan dan ‘faalangstig reageren’ doordat hij teveel prikkels ervaart.
Onderstaand filmpje illustreert hoe een kind te veel prikkels kan ervaren.

Fantasie

Aan fantasie ontbreekt het vaak niet bij hooggevoelige kinderen. Ze hebben een sterke fantasie en ze zijn zeer gewetensvol voor hun leeftijd. Ze beginnen met praten en lopen op het normale tijdstip, maar het zindelijk worden of het opgeven van bepaalde gewoontes zoals duimzuigen of een knuffel beer overal mee naartoe nemen gebeurt vaak later. Hoogsensitieve kinderen denken dikwijls in beelden.

Diversiteit

Ondanks de algemene kenmerken kunnen hooggevoelige kinderen onderling sterk verschillen. Het ene kind voelt vooral stemmingen en emoties van anderen aan, terwijl het andere kind zich erg bewust is van het onrecht in de wereld.
Er kan onderscheid worden gemaakt in vier categorieën van hooggevoeligheid.

  • Lichamelijk: het fysieke lichaam, inclusief de zintuigen.
  • Emotioneel: gevoelens en de omgang met anderen
  • Mentaal: denken, leren en informatieverwerking
  • Spiritueel: het besef van een zingevende context, eventueel vallend buiten de grenzen van het direct waarneembare

Op school

Wanneer een hooggevoelig kind zich veilig voelt in de klas en het onderwijssysteem aansluit bij hun leersysteem, is vaak sprake van een goede, vlotte en leergierige kind. Voelt een kind zich echter onveilig of sluit het onderwijs niet aan bij hun vaak visuele leersysteem, dan komt er vaak niet uit wat erin zit, zijn ze onzeker of lijken ze ongeïnteresseerd.

 

Tafels automatiseren

Tafels automatiseren

Kinderen vinden het vaak lastig om tafels te automatiseren. Als we tafels leren met beweging, zal dit soepeler verlopen. In groep vier wordt meestal gestart met de tafel van 1, 2, 5 en 10. In groep vijf worden de tafel van 3, 4, 6, 7, 8 en 9 geautomatiseerd.

Hoe starten we met het leren van tafels?

Het is voor een kind en zeker voor een  beelddenker belangrijk dat er eerst wordt uitgelegd wat een tafel is. Want als de leerkracht zegt: `We gaan vandaag de tafel van twee leren`, zal de beelddenker meteen denken: waar staat die tafel?

Begin dus met het begrip tafel uit te leggen. Een tafel is een meubelstuk, de tafel waar jij aan zit, maar een tafel kan ook een tabel getallen zijn; een rekenreeks. Dus het woord tafel heeft twee betekenissen. Ken je nog een woord met twee betekenissen? Speel met de begrippen met het kind. Andere voorbeelden van woorden met twee betekenissen zijn: kussen, bank, ton, bloem, school…

Als het kind het begrip tafel heeft geleerd, gaan ze zien dat vermenigvuldigen herhaald optellen is. Schrijf het volgende uit ter verduidelijking :

2=2
2+2=4
2+2+2=6
2+2+2+2=8….. tot en met
2+2+2+2+2+2+2+2+2+2=20

Stel vervolgens de vraag hoe je dit korter zou kunnen schrijven. Dan kom je tot de tafelsommen:
1×2=2
2×2=4
3×2=6
4×2=8… enz. 10×2=20

Laat daarna het geheel zien; dus bijvoorbeeld alle tafels op een poster. Geef aan hoeveel tafel een kind allemaal gaat leren. En eventueel in welke volgorde.

Veel succes. Meer tips? laat ze achter in de comments! 

Klokkijken en beelddenken

Klokkijken en beelddenken

Klokkijken is voor beelddenkers lastig. Een beelddenker heeft geen goed gevoel van oriëntatie in de tijd. Tijd en volgorde zegt hem weinig. Een beelddenker heeft niets met tijd. Als je wilt dat je zoon of dochter op tijd thuis komt, kun je het tijdstip beter aan een beeld koppelen. Bijvoorbeeld: `Als de lampen van de lantaarnpalen gaan branden, moet je naar huis komen om te eten.`

Om te kunnen klokkijken, moet een beelddenker inzicht hebben in tijd, volgorde en orde (procedures). Dit zijn net de zaken waar een beelddenker veel moeite mee heeft. Beelddenkers hebben moeite met het verwerken van seriële informatie (tijd en volgorde). Zij willen informatie simultaan (gelijktijdig) verwerken.

Kinderen die problemen hebben met tijdsbesef, volgorde en procedures missen het inzicht bij klokkijken. Naast de didactische aspecten van klokkijken is er een aantal psychologische aspecten die bij klokkijken een rol spelen, zoals oriëntatie in tijd en ruimte. Een uur, een minuut; het zegt de beelddenker niet veel.

Een beelddenker mist vaak het inzicht in verleden en heden en de volgorde van gebeurtenissen.Hij  vindt het lastig om de dagen van de week en begrippen als morgen, gister te leren.

Pas als het tijdsbesef aanwezig is, kun je starten met leren klokkijken.

Hoe creëer je tijdsbesef ?

Laat een beelddenker ervaren hoe lang een minuut duurt.. Gebruik een stopwatch en laat een kind bijvoorbeeld een sprong maken als hij denkt dat de minuut voorbij is. Of laat een kind zijn ogen sluiten, na een minuut mag hij ze weer open doen. Het is ook leuk om met een kookwekker te oefenen hoe lang een minuut duurt.

Als het tijdsbesef een beetje begint te groeien, kunnen de volgende vragen worden gesteld:

  • Hoeveel minuten douch je?
  • Hoeveel minuten doe je erover om naar school te komen?
  • Hoeveel minuten duurt de gymles?
  • Hoeveel minuten duurt je voetbal wedstrijd?

Als het tijdsbesef aanwezig is, kunnen we met klokkijken beginnen.

Bouw het klokkijken langzaam op. Leg eerst uit wat de kleine wijzer doet.
De kleine wijzer `loopt` in een uur een klein stukje van de hele cirkel. (wijs aan op een klok) Vergeet ook de richting van de wijzer niet uit te leggen. Als dit goed begrepen is, starten we met de uitleg van de grote wijzer en de richting van de grote wijzer. De grote wijzer `loopt` in een uur een hele cirkel. (wijs aan op een klok)

Dan herhaal je nog een keer: dus de grote wijzer legt een grote afstand af en de kleine wijzer legt een kleine afstand af. De grote wijzer draait een heel rondje (360°) en de kleine wijzer draait in dezelfde tijd een klein stukje tussen twee cijfers (30°).

Fysieke oefening om te de klok te beleven.

Teken met stoepkrijt een klok met cijfers en zonder wijzers op de tegels. Laat een kind een uur lopen/beleven zoals de grote wijzer doet. Daarna mag een kind `een uur lopen` zoals de kleine wijzer doet. Deze oefening sluit aan bij de belevingswereld van een beelddenker.

Laat dan een `uur lopen` met twee kinderen tegelijk. Een kind `loopt` als de grote wijzer en een kind `loopt` als de kleine wijzer. De beelddenker ervaart nu de tijd los van het beeld van de afstand die de wijzers afleggen.
Als een  beelddenker dit inzicht heeft, kun je starten met het leren klokkijken. Bouw het klokkijken op vanuit de hele uren, naar halve etc.

bron beeldenbrein

Er zit meer in dan dat eruit komt!

Er zit meer in dan dat eruit komt!

In normale situaties werken onze verbale en performale eigenschappen samen, maar bij een kloof verloopt die samenwerking niet zo vlot. Een kind kan zich dan geen beeld vormen van een bepaalde situatie en kan er daarom niet goed mee omgaan, hetgeen zich op school bijvoorbeeld kan uiten in slechte schoolresultaten.

Het performale IQ zegt iets over hoe iemand praktisch omgaat met kennis. Hoe los je praktisch een probleem op.  Motorische vaardigheden spelen hierbij een rol, maar ook ruimtelijk inzicht.
Het verbale IQ daarin heeft betrekking op woordenschat, taalgevoel, redeneringsvermogen.

Van een kloof wordt gesproken wanneer de verbale en niet-verbale IQ score van een kind wezenlijk van elkaar verschillen. Dit kan dus twee kanten op gaan: verbaal sterker of performaal sterker.  Een kloof waarbij iemand performaal verbaal hoger scoort dan verbaal is zeldzaam, maar komt voor bij kinderen.

Performaal sterker dan verbaal

Dit is een vrij ongrijpbare kloof voor veel mensen. Een kind denkt namelijk op een hoger niveau dan dat het zich verbaal kan uiten. Het ruimtelijk inzicht, organisatorisch vermogen en de detailwaarneming van het kind zijn beter ontwikkeld dan zijn vermogen om zijn gedachten te uiten met taal. Dit kind zal mensen verrassen met complexe visueel-ruimtelijke taken en een goed overzicht kunnen houden over de taken die hij krijgt. Tegelijkertijd kan het kind gefrustreerd raken doordat hij zich niet altijd kenbaar kan maken in taal en regelmatig onderschat wordt.

Een hoge performale intelligentie kan in de onderwijssituatie vertraging of stagnaties in het leerproces veroorzaken, omdat het kind gebruik maakt van een denkproces waarbij het via het handelen inzicht verwerft en ook bij voorkeur handelend tot oplossingen komt.

Een kind wordt veelal aangesproken op het niveau waar het zich verbaal uit. Er zit echter veel meer in  een kind dan er zichtbaar is, een kind wordt chronisch onderschat. Dit kan tot hevige frustraties leiden bij een kind .

Hoe ga je hier mee om?

Bij deze kinderen is het belangrijk om te begeleiden door te reflecteren op eigen gedrag in taal en ze uit te blijven dagen op school met ruimtelijke taken. Zo leert een kind zich steeds beter uiten in taal, terwijl hij ook ervaart dat hij vaardig kan zijn op school. Dit succes stimuleert en zorgt er voor dat een kind beter in zijn vel zit.

Wanneer een kind ook moeite heeft met het vinden van woorden kan logopedie uitkomst bieden. Op speelse wijze kan gewerkt worden aan woordvinding en vertelvaardigheid (verhaalopbouw, het leren scheiden van hoofd en bijzaken)

Deze kloof waarbij een kind performaal sterker is, wordt soms vergeleken met beelddenken. Er is echter geen wetenschappelijk bewijs dat beelddenken vast te stellen is aan de hand van intelligentiegegevens, omdat de verbale subtests ook op een beelddenk manier kan worden gedaan.