**//sticky ads code//**
Sensatie zoeker | extravert hoogsensitief

Sensatie zoeker | extravert hoogsensitief

Een sensatie zoeker of High Sensation Seeker (HSS)  is een term die men vaak gebruikt voor extravert hoogsensitieve mensen. Soms een moeilijk eigenschap om te begrijpen voor buitenstaanders.

HSS kinderen (of volwassene) zoeken prikkels juist op, maar vervolgens worden ze al snel overspoeld. Dit roept veel vragen op, waarom?
Bij volwassen HSS’ers zie je vaak dat ze een erg druk leven hebben. Altijd een vol geplande agenda. Dat houden ze in stand, terwijl ze eigenlijk liever rust willen en meer lege plekken in die agenda. Slaapproblemen en verminderde concentratie zijn hierbij vaak aan de orde.

De tegenstrijdige belangen van meedoen en veel willen beleven versus behoefte aan rust is kenmerkend voor de Hooggevoelige mensen en nog sterkere mate voor de HSS’er.

Een sensatie zoeker is iemand die gevoelig is maar voortdurend spanning en drukte opzoekt, of deze zelfs initieert.  Een sensatiezoeker is snel verveeld, heeft 100-en-1 ideeën, maar maakt er zelden één af. Hij zoekt spanning, intense ervaringen en avontuur.

Het fijne van een sensatie zoeker  zijn

Een voordeel van het zijn van een sensatie zoeker is dat deze kinderen vaak heel leergierig zijn. Ze willen veel weten over onderwerpen die ze interessant vinden. Ze willen dingen ervaren, beleven, verrijken van hun kennis en kunde vinden ze belangrijk. Sensatie zoekers maken ook makkelijk nieuwe contacten.

De mindere kant van sensatie zoekers

Er zijn helaas ook nadelen aan het zijn van een sensatie zoeker. De balans tussen te veel en te weinig prikkels is veelal een enorme zoektocht. Zo is iemand snel op iets uitgekeken, heeft nieuwe ervaringen nodig en zal daardoor snel aan zijn ‘grens’ zitten als het gaat om prikkels.

Sensaties zoekers hebben gemakkelijk kans op een bore-out  te weinig uitdaging waardoor na een periode van rust en inzicht nieuwe prikkels nodig zijn.

Omgaan met de drang naar prikkels en het verlangen naar rust
Het is voor deze kinderen belangrijk dat ze leren dat dagen of momenten met veel prikkels moeten worden afgewisseld door ‘tijd van rust en alleen zijn’.
Het zijn van een sensatie zoeker is enorm verrijkend. Het is en blijft alleen de kunst om te leren wanneer je kunt ‘gassen’ en wanneer je best (tijdelijk) even op de rem moet trappen

 

Rekenproblemen bij beelddenkers

Rekenproblemen bij beelddenkers

Om goed te kunnen rekenen is getalbegrip nodig. Getalbegrip is de schakel tussen de ontwikkeling van denken en de rekenbewerkingen. Bij een gemiddelde  ontwikkeling ontwikkelt een kind tussen zijn zesde en zevende jaar getalbegrip.

Het totale besef van een getal ontstaat bij kinderen door het verbinden van drie facetten.

  1. Het woord
    Een getal kan als woord worden gebruikt. Laten we eens kijken naar het getal 6. Het woord dat bij het cijfer 6 hoort is `zes`.
  2. Het cijfer
    Een getal kan als cijfer, als telwoord worden gebruikt. Bijvoorbeeld het getal `6`.
    Een kind weet dat dit een telwoord is.  Het getal 6 staat tussen 5 en 7.
    Op deze manier wordt een getal binnen de rangorde van de telrij geplaatst en gebruikt.
  3. De hoeveelheid
    Een getal kan ook worden gebruikt om een hoeveelheid aan te geven. Het getal 6 kan bijvoorbeeld de hoeveelheid van 6 dropjes horen. We hebben dan een hoeveelheid van 6 dropjes.

Maar bij het getal 6 kunnen we ook de hoeveelheid van 6 auto’s plaatsen. De hoeveelheid is bij zowel de dropjes als bij de auto’s  is hetzelfde, maar 6 dropjes geven een ander beeld dan de 6 auto’s

zes

Het beeld

Een beelddenker moet leren het beeld van de hoeveelheid los te zien van de grootte. Dit is lastig voor een beelddenker.
Bij zes auto’s  heeft de beelddenker een beeld van iets groots en bij zes dropjes heeft de beelddenker een beeld van iets kleins. De dropjes passen op je hand en de auto’s  niet.
Maar beide hebben dezelfde hoeveelheid. Dit is lastig voor een beelddenker.
Door zijn beeld zal hij in eerste instantie zeggen dat zes auto’s  meer is.

Wat gebeurt er in het brein bij de drie facetten: woord, cijfer en hoeveelheid?

Het woord

Laten we als voorbeeld het woord `drie` nemen. Het woord komt binnen via de oren. Daarna wordt het woord drie geanalyseerd in het gebied van het verbale systeem in de linkerhersenhelft.  En wordt `drie` als klankvorm herkend.

Het cijfer

Het cijfer 3  als visuele vorm (symbool) wordt via de ogen (kijken) naar het achterste gedeelte van het brein gestuurd. Daar wordt `3` als beeld herkend, maar je weet nog niet wat het is.

Hoeveelheid

In een gebied bovenin het brein worden hoeveelheden geregistreerd.  Dicht bij dit gebied ligt het gebied van tellen op je vingers. Dit verklaart waarom het tellen op de vingers kan helpen en ondersteunen in de beginfase bij het rekenen.

Als deze drie gebieden goed samenwerken, kan een kind tot getalbegrip komen. En als het getalbegrip aanwezig is, kun je beginnen met rekenen.

Getalbeelden

Het is belangrijk om bij rekenen te ondersteunen met getalbeelden. Een beelddenker met rekenproblemen heeft het beeld van de hoeveelheid dat bij een getal hoort nodig.

Als je een beelddenker individueel begeleidt, ondersteun dan elk getal wat je benoemt of waar je een bewerking mee doet met een getalbeeld.

Hoe ondersteun je met getalbeelden?
Je kunt daarvoor gebruik maken van kleine blokjes of fiches. Als je praat over het getal 6, leg je 6 fiches op je hand ter ondersteuning van de opgave.
Of bij de uitleg van de som 3+5= kun je ondersteunen met de getalbeelden op de tafel te leggen. Ga creatief met getalbeelden om.

 

Hoe herken je een hoogbegaafd kind?

Hoe herken je een hoogbegaafd kind?

Hoogbegaafdheid is de aanleg om tot uitzonderlijke prestaties te komen. Hoogbegaafdheid is dus meer dan intelligentie, want dat is slechts de score uit een intelligentieonderzoek. 

Een hoogbegaafd kind is in meerdere opzichten ‘anders’ dan andere kinderen. Hij is niet beter of slechter, maar zit op een andere manier in elkaar. Een hoogbegaafde kind heeft andere dingen nodig om zichzelf optimaal te kunnen ontwikkelen. Het vroegtijdig signaleren van hoogbegaafdheid is belangrijk om tijdig voor de juiste begeleiding te kunnen zorgen.

Dat hoogbegaafden een hoog IQ hebben, weten de meeste mensen wel. Veelal wordt gedacht dat als een kind een hoog IQ heeft, het automatisch een hoogbegaafd kind is. Hoogbegaafdheid behelst echter meer dan alleen een hoog IQ. Het is een combinatie van drie eigenschappen: een IQ van 130 of hoger, een creatief brein en een flink veel doorzettingsvermogen.
Met een creativiteit wordt niet per se bedoeld dat een kind heel kunstzinnig is. Ook het buiten de geijkte kaders denken valt hieronder.

Het vaststellen van hoogbegaafdheid bij kinderen is lastig. Elk kind is anders, de volgende kenmerken blijken veel voor te komen bij hoogbegaafde kinderen (bron: SLO):

  • hoge intelligentie (IQ hoger dan 130)
  • vroege ontwikkeling / ontwikkelingsvoorsprong
  • uitblinken op meerdere gebieden
  • gemakkelijk kunnen leren
  • goed leggen van (causale) verbanden
  • makkelijk kunnen analyseren van problemen
  • maken van grote denksprongen
  • voorkeur voor abstractie
  • hoge mate van zelfstandigheid
  • brede of juist specifieke interesse/hoge motivatie/veel energie
  • creatief/origineel
  • perfectionistisch
  • apart gevoel voor humor
  • hoge mate van concentratie

Een kind hoeft niet al deze kenmerken te hebben om hoogbegaafd te worden genoemd. En andersom geldt ook  een kind één of meer van deze kenmerken heeft, behoeft het niet hoogbegaafd te zijn.

Wat te doen bij een vermoeden

Als je vermoed dat je kind hoogbegaafd is bespreek dit dan met school of de huisarts. Zij kunnen je doorverwijzen naar een instantie die kan testen of er sprake is van een hoog IQ.  In geval van een doorverwijzing worden de kosten van het onderzoek mogelijk vergoed. Vraag dit na bij je zorgverzekeraar.  Een test geeft geen antwoord op alles, maar het kan wel meer duidelijkheid geven.

Waarom hebben beelddenkers vaak een zwakke concentratie?

Waarom hebben beelddenkers vaak een zwakke concentratie?

Beelddenkers leren anders. Ze verwerven informatie anders, maar ook de verwerking verloopt anders dan bij de kinderen die meer taal georiënteerd zijn. Beelddenkers verwerken informatie voornamelijk visueel, zij willen informatie ‘zien’ en verwerken informatie associërend.

Een beelddenker neemt 1500 prikkels per minuut waar. Bijvoorbeeld: Een kind kijkt naar de leerkracht die voor het bord staat om uitleg te geven over een spellingregel. De leerkracht noemt als voorbeeld het werkwoord spelen. Het kind hoort het woord ‘spelen’ en krijgt meteen associatie-beelden als: plein met het voetbaldoel > hierop volgt associatie > zijn voetbalwedstrijd van maandagavond > hierop volgt associatie > eten bij oma > hierop volgt associatie > vakantie met opa en oma > hierop volgt associatie > zwemmen in het zwembad.

De eerste uitleg van de spellingregels heeft het kind nu al gemist.
Een kind kijkt naar de leerkracht en ziet een hele hoop. Kijken de ogen van de leerkracht blij of boos – mooie krullen in het haar – rode jurk – de poster naast het bord. Maar tegelijk neemt een kind ook waar wat er naast hem gebeurt. Het kind neemt ook waar vanuit de ooghoeken en krijgt impulsen als: jan die op een pen kauwt – Mary heeft vandaag een gebloemde legging aan – de deur van het lokaal is niet helemaal dicht, enz.
In tegenstelling tot de 1500 prikkels van visuele waarnemingen, kan een persoon maar 200 woorden in een minuut uitspreken of denken. In het hoofd van een beelddenker is het dus best druk op zijn tijd!

De zwakke concentratie van een beelddenker is vooral toe te schrijven aan de associatieve informatieverwerking en het feit dat de ogen eerst informatie willen zien!

De concentratie van een kind, bepaalt hoe intensief en hoe lang hij zijn aandacht ergens op kan richten.

Dus hoelang kan hij echt bezig zijn met een taak?
Je hebt niet voor alle taken dezelfde vorm van concentratie nodig. Voor pingpongen heb je bijvoorbeeld een snellere, flitsender concentratie nodig dan voor schaken. Daarvoor heb je juist een rustige, analytische vorm nodig.
De verschillende vormen van concentratie zie je ook op school terug. Zelf actief bezig zijn vraagt een andere vorm van concentratie dan alleen luisteren. Daarbij vragen korte taken een andere vorm van concentratie dan taken die lang duren.

Bij beelddenkers zien je ook vaak concentratieproblemen als het voor hen niet duidelijk is waar ze mee bezig zijn. Daardoor zijn ze minder gemotiveerd en dus sneller afgeleid.

Wat helpt voor een betere concentratie?

Een effectieve concentratie oefening is Doodling of droedelen
Doodling is zonder na te denken tekeningetjes, bepaalde vormen, krullen enz. krabbelen terwijl je luistert naar iemand. Je bent doelloos aan het tekenen, krabbelen, terwijl je aandacht bij de leraar is. Het voorkomt dat je wegdroomt.

bron: beelendbrein en bestkids

 

Beelddenkers leren effectiever met beweging

Beelddenkers leren effectiever met beweging

Bij bewegend leren, benut een kind zijn zintuiglijk waarneming.  Het leren gaat daardoor effectiever en wordt bovenal veel leuker.  Vooral beelddenkers leren effectiever met beweging, omdat ze informatie verwerken vanuit de prikkels van hun zintuigen.

Erik Scherder doet veel onderzoek naar bewegen

Erik Scherder, hoogleraar bewegingswetenschappen aan de Rijksuniversiteit van Groningen, zegt het regelmatig: `Bewegen is niet alleen goed voor conditie, maar ook voor cognitie!`
In de hersenen vertonen neuronale systemen die betrokken zijn bij de motoriek een grote overlap met de neuronale systemen die een rol spelen bij cognitie.

Waarom werkt bewegend leren goed:

  • De hersenen krijgen veel zintuiglijke informatie, zoals de spieren, gewrichten, ogen en oren.
  • De rechter- en linkerhersenhelft gaan soepeler samenwerken.
  • Ogen gaan beter samenwerken.
  • Het bevordert concentratie.
  • Het bevorderen de aanmaak van endorfine.
  • Het bevorderen de aanmaak van dopamine.

Wat doet endorfine?

Bij lichamelijke inspanning komt er een stofje vrij; endorfine. Endorfine noemen we ook wel het gelukshormoon. Door de aanmaak van endorfine ga je energieker voelen. Het gevolg is dat je wel zin hebt in school. Dus wil een kind balans voelen, moet hij eerst energie gaan verbruiken door te bewegen!

Endorfine tegen stress

Door te bewegen gaat een kind steeds meer endorfine aanmaken. Leren wordt leuker en gaat zelfs`verslavend` werken. Een bijkomend voordeel is dat hoe meer endorfine er wordt aangemaakt, hoe beter een kind bestand is tegen (faal)angst. Door bewegen wordt leren niet alleen makkelijker, maar bewegen maakt ook gelukkiger. School wordt weer leuk en leren gaat makkelijker!

Wat doet dopamine voor het brein?

De zenuwcellen van de verschillende hersengebieden communiceren met elkaar door middel van neurotransmitters. Neurotransmitters zijn signaalstoffen. Dopamine is zo’n signaalstof.
Zonder Dopamine kunnen we niet leren. Dopamine is nodig voor het geheugen.

Hippocampus is belangrijk bij het geheugen

De Hippocampus is een onderdeel in onze hersenen dat een rol speelt bij het opslaan van informatie in het langetermijngeheugen en het weer terughalen van informatie naar het kortetermijngeheugen. De Hippocampus gebruikt hier Dopamine voor.

Extra dopamine door bewegen

Als we bewegen komt er Dopamine vrij. Veel dopamine laat het geheugen effectiever werken.

Wat betekent beweging voor je lichaam?

Bewegen verbetert tevens de stofwisseling, de spijsvertering en de doorbloeding. Als een kind regelmatig beweegt ontwikkelt een kind een sterk immuunsysteem, waardoor hij minder snel ziek wordt.

 

bron: beeldenbrein

Wat hebben leerproblemen en primaire reflexen met elkaar te maken?

Wat hebben leerproblemen en primaire reflexen met elkaar te maken?

Al doe je nog zo je best, reflexen kun je niet tegenhouden. Iedereen heeft bij zijn geboorte een aantal primaire reflexen die gemakkelijk zijn op te wekken. Deze reflexen, zoals de zuig- of grijpreflex, zijn nodig om direct na de geboorte te overleven. En ze helpen bij een gezonde ontwikkeling. Wanneer het zenuwstelsel zich goed ontwikkelt, komen de reflexen na ongeveer een half jaar onder controle. Dat gebeurt echter niet altijd. Wat nog niet zo bekend is, is dat bij veel mensen de primaire reflexen (gedeeltelijk) ongecontroleerd aanwezig zijn gebleven. Dat kan komen door bijvoorbeeld stress tijdens de zwangerschap, complicaties bij de geboorte, vaccinaties of andere heftige gebeurtenissen.

Ongecontroleerde primaire reflexen

Het dagelijkse leven wordt dan verstoord door onbewuste automatische reacties die zowel lichamelijk, sociaal, mentaal als emotioneel kunnen zijn. De compensaties die daarop volgen kunnen grote gevolgen hebben.

Ongecontroleerde primaire reflexen  kunnen problemen geven, denk hierbij aan: 
• leer- en concentratieproblemen
• verdriet, angsten, paniek of woede-uitbarstingen
• informatieverwerkingsproblemen zoals ADD, ADHD, autisme, dyslexie, dyscalculie,
• slaapproblemen (inslapen en doorslapen)
• gespannen nek of schouders, rugklachten, hoofdpijn, buikpijn, moeite met leren zwemmen of fietsen
• het gevoel ”ik ben mezelf niet” of ”er is iets, maar ik weet niet wat”

Goed ontwikkelde reflexen hebben tot gevolg dat een kind fysiek goed zal kunnen functioneren. Dit komt doordat de reflexen de basis vormen voor het evenwicht, de zintuigen, tijd en ruimtebesef, motorische en visuele vaardigheden en de motoriek. Ook zijn de reflexen verantwoordelijk voor hoe een kind zich sociaal-emotioneel en cognitief ontwikkelt.

Misdiagnose

Het komt vaak voor dat een kind onterecht de diagnose AD(H)D krijgt, terwijl de primaire reflexen ten grondslag liggen aan de problemen.
Omdat bij leer-gedrags of concentratieproblemen veelal niet wordt gedacht aan de primaire reflexen, gaat men dan aan het werk met dat wat er mis gaat.
Eindeloos rekensommen geven, het oefenen van het vangen van een bal of een kind continu aanspreken op zijn niet gewenste gedrag. Een kind wil wel anders, maar het lukt dan gewoon niet, met soms frustratie en onmacht tot gevolg. Vanuit het oogpunt van de reflexen ga je je niet bezig houden met de vaardigheid die er mis gaat, maar werk je aan de basis.

Niet geintegreerde reflex

Een reflexmatige beweging heeft altijd voorrang en verstoort zo het normaal functioneren. Een kind, en met name het jonge kind, zal deze niet gewenste bewegingen en reacties willen onderdrukken of compenseren en dat kost hem ‘bakken vol energie’. Niet geïntegreerde reflexen zorgen ervoor dat een kind uit balans gaat met alle gevolgen van dien.  Een kind raakt vermoeid en zal, wanneer er niet op tijd wordt ingegrepen, niet meer in staat zijn om zelf zijn balans te herstellen. Extreme vermoeidheid, prikkelbaarheid, overgevoeligheid, achterstand in de fijne-of grove motoriek, leer-lees achterstand  of een verstoorde werking van het immuunsysteem, zijn zomaar wat voorbeelden van problematiek die hierdoor veroorzaakt kunnen worden.

Voorbeelden

Wanneer de grijpreflex nog niet goed geïntegreerd is, zal elke prikkel van de hand ervoor zorgen dat deze weer opengaat. Hoe kun je ervoor zorgen dat je netjes schrijft of binnen de lijntjes kleurt, als het je zoveel moeite kost om je pen vast te houden? Of een kind dat niet stil kan zitten. Hij wil dat wel, maar het lukt hem niet omdat de oprichtreflex niet geïntegreerd is. Het zal gaan hangen op zijn stoel, wiebelen en afdwalen met zijn gedachten. De oprichtreflex is namelijk ook verantwoordelijk voor aandacht en focus. Een (faal) angstig kind wil wel anders denken maar als de overlevingsreflex, nodig bij de geboorte, nog actief is, blijft dit kind in de alarmstand staan. Dan is de veroorzaker van de angst dus niet een negatieve gedachte of emotie, maar een reflex die niet tot rust is gebracht.

De therapie: Reflexintegratie

Het begint bij het uit testen welke reflex verstoord is. Wat er aan de verstoring van de reflex ten grondslag ligt. Vervolgens kan door het volgen van een (licht) bewegingsprogramma er in de meeste gevallen snel verbetering optreden.
Deze oefeningen zijn leuk omdat ze samen met de ouder, broertjes of zusjes gedaan kunnen worden. Het gebruik van spelmateriaal, een skippyballen, yogaballen of ander spelmateriaal verhoogd het plezier bij de oefeningen.

bron: .carlavanwensen.nl

.