**//sticky ads code//**
Meer zelfvertrouwen voor beelddenkers door de juiste feedback.

Meer zelfvertrouwen voor beelddenkers door de juiste feedback.

Het komt vaak voor dat beelddenkers weinig zelfvertrouwen hebben of zelf faalangst ontwikkelen.

Hoe komt het dat beelddenkers gevoeliger zijn voor faalangst?

Een Beelddenker verwerkt zijn informatie anders.
Beelddenkers leren vanuit het geheel al associërend naar het antwoord of de oplossing. Dit is niet een proces dat netjes op volgorde gaat. Dit is een associatief, chaotisch proces. Een Beelddenker heeft dus duidelijke structuren en kaders nodig om het overzicht in zijn chaotische wereld te houden.
Binnen het onderwijs wordt veel nadruk gelegd op volgorde en details en het verwerken van seriële informatie. Dit is voor beelddenkers ontzettend lastig. Details onderscheiden is niet de sterkste kant van een beelddenker.

Een beelddenker zoekt overeenkomsten vanuit het geheel, niet naar verschillen.

Omdat het onderwijs niet goed aansluit bij hun manier van informatie verwerken, verliezen zij hun zelfvertrouwen en ontwikkelen beelddenkers vaak faalangst.
Het lukt een beelddenkend kind niet goed meer om onder stress zijn voorkeurs denken te hanteren. Hij wordt gedwongen door de stress zich op de details te richten. Met als resultaat dat een kind blokkeert , waardoor de faalangst ontstaat.

Een beelddenker communiceert anders

Een Beelddenker voelt zich vaak onbegrepen omdat hij anders communiceert . Als een beelddenker een verhaal vertelt, bevindt hij zich in het beeld en als de taaldenker een verhaal vertelt, kijkt hij tegen een beeld.

Hoe vertelt een taaldenker zijn verhaal?

Als een taaldenker iets wil vertellen, stelt hij zich een plaatje voor van een situatie.
Hij kijkt tegen een beeld aan. Het beeld geeft hem steun om een verhaal netjes op volgorde te vertellen. Hij doorloop het denkproces stap voor stap. Netjes van het begin tot het eind.
Anders gezegd: Een taaldenker visualiseert een beeld waar hij tegenaan kijkt als geheugensteun om iets te vertellen. Hij bedenkt het plaatje bij zijn woorden.

Hoe vertelt een beelddenker zijn verhaal

De beelddenker bevindt zich in zijn beeld. Om zijn ruimtelijk beeld te kunnen verwoorden moet hij zichzelf buiten het beeld of gebeuren plaatsen. De beelddenker bekijkt het beeld en verwoordt dan wat hij `ziet’. Dat is niet een verhaal op tijd en volgorde, maar het is een chaotisch verhaal. Dit gebeurt omdat het denkproces door de associatiebeelden chaotisch verloopt. Niet netjes met een kop en een staart.
Anders gezegd: Een beelddenker staat in het beeld en zet zich dan buiten het beeld om de zaak te verwoorden. De beelden is de enige mogelijkheid om tot de juiste woorden te komen. Hij moet de woorden bij het plaatje zoeken. Dit kost tijd en veel concentratie.

Hoe kun je beelddenkers thuis ondersteunen om meer zelfvertrouwen te ontwikkelen?

Door op de juiste manier feedback te geven, ontwikkelt een kind zelfvertrouwen en leert het kind zijn sterke en zwakke kanten kennen. Dit is belangrijk om krachtiger in het leven te staan.
Met feedback reageren je op wat iemand gezegd of gedaan heeft.

De manier waarop feedback wordt gegeven is heel belangrijk voor dit proces om als kind sterker in de wereld te staan. Een kind leert: `Ik mag zijn wie ik ben!`

Hoe geef je de juiste feedback?

Feedback geven kan op vier manieren
Het kan zowel negatieve als positieve feedback zijn en taakgerichte danwel persoonsgerichte.

Taakgerichte feedback

Taakgerichte feedback is een reactie die alleen gericht is op de gedane taak. Een positieve reactie op een taak is bijvoorbeeld: `Deze opdracht heb je goed gedaan.`
Een negatieve reactie op een niet goed uitgevoerde taak kan zijn: `Deze opdracht heb je niet zo goed gemaakt.`

Persoonsgerichte feedback

Persoonsgerichte feedback is een reactie die gericht is op de persoon. Het is belangrijk dat persoonsgerichte feedback altijd positief is.
Bij positieve persoonsgerichte feedback laat je het kind in zijn waarde. Positieve persoonsgerichte feedback is bijvoorbeeld: `Je bent altijd erg behulpzaam.`
Negatieve reactie op de persoon kan bijvoorbeeld zijn: `Wat ben je vervelend!`
Nee… het kind is niet vervelend, zijn gedrag is vervelend. Dus benoem zijn gedrag.
Zeg bijvoorbeeld: `Ik vind je gedrag vervelend!`
Probeer negatieve persoonsgerichte feedback om te zetten van de persoon naar het benoemen van het gedrag.

Evenwicht in positieve en negatieve reacties.

Het is belangrijk een goed evenwicht te vinden tussen positieve en negatieve reacties. Te veel negatieve reacties maken het kind onzeker met als gevolg de reactie: `Ik doe toch nooit iets goed!`.
Maar door te veel positieve reacties wordt het kind onbedoeld onder druk gezet. Hij zal denken dat hij geen fouten mag maken.
Reageer in eerste instantie positief op een kind als hij iets zegt of heeft gedaan. Daarna kan er negatieve taakgerichte feedback volgen. Het is de bedoeling dat het kind iets leert van deze negatieve taakgerichte feedback.

bron: beeldenbrein

Effectief communiceren met beelddenkers!

Effectief communiceren met beelddenkers!

Soms lijken kinderen niet te luisteren. Als een kind voornamelijk in beelden denkt, kan hier een hele goede verklaring voor zijn. Communiceren met beelddenkers vraagt een andere aanpak

Als je een kind iets uitlegt gebruik je hiervoor veel woorden. Je kijkt een kind aan, maar hij lijkt niet te luisteren naar wat je zegt.  Je doet nog poging, waarbij je veelal nog meer woorden gebruikt.
Een reactie blijft uit en je kind kijkt je glazig aan of kijkt de andere kant op.  Als je na een aantal vruchteloze pogingen eindelijk contact lijkt te hebben kijkt hij je verbaasd aan. Ongeduldig leg je het nog een keer uit, met nog meer haastige woorden. Maar als je dan klaar bent kijkt hij je aan met een lege blik. Wanhopig vraag je je af waarom hij niet gewoon luistert! Herkenbaar?

Hoe komt dit en moet een kind zich aanpassen of moet er iets anders gebeuren?
Voor beelddenkers zijn woorden en zinnen één grote brei van klanken. Het vergt de nodige concentratie om een verbale informatie te vertalen naar begrijpelijke beelden. Daarom duurt het gemiddeld langer voordat iets binnenkomt bij een kind, voordat het wordt begrepen.

Tips om effectief te communiceren met beelddenkers

  • Geduld
    Omdat het verwerken van woorden tijd kost, is het goed een kind deze tijd ook te geven! Laat hem wat er gezegd is omzetten in beelden. Maar al te vaak beginnen we te snel met het opnieuw uitleggen. Hiermee verstoor je een kind zijn proces om hetgeen gezegd is te begrijpen.
  • Bewegen
    Beelddenkers luisteren en concentreren zich vaak door bewegen. Kinderen beginnen te bewegen, ogen draaien weg. Laat ze hier vrij in. Beperk ze niet in hun bewegingsvrijheid. Hoe erg is het als een kind even niet stil zit of beweegt?
  • Totaal plaatje
    Beelddenkers willen graag weten hoe het totaalplaatje eruit ziet. In het communiceren met beelddenkers is het goed hier rekening met de houden. Dus begin met uitleggen wat het eindresultaat is en dan pas stap voor stap uitleggen hoe ze daar komen…
  • Maak contract
    Beelddenkers kunnen erg op gaan in hun spel of in de beelden die ze zien in hun hoofd. Als een kind niet lijkt te luisteren, zegt zijn naam duidelijk of raak zachtjes zijn schouder aan zodat hij je aandacht heeft.
  • Controle
    Controleer na het geven van een uitleg of stellen van een vraag of een kind het heeft begrepen. En geef een kind hierbij de tijd om te reageren. Er is meer geduld nodig om met beelddenkers te communiceren.

Beelddenkers begrijpen, hier lees je er meer over

Hoe denkt een hoogbegaafd kind?

Hoe denkt een hoogbegaafd kind?

Hoogbegaafdheid en beelddenken gaan vaak samen. Hoogbegaafdheid is meer dan een IQ. Intelligentie kan middels een IQ-test worden vastgesteld. Maar al veelal blijkt een hoge intelligentiescore niet te leiden tot een succesvolle (school)carrière. Het tegenovergestelde is vaak het geval. hoogbegaafde kinderen lopen vast in het onderwijs. Van de hoog intelligente mensen in onze samenleving zou, volgens onderzoek, maar 10% werkelijk als hoogbegaafd kunnen worden aangemerkt.

Naast een hoog IQ zijn twee andere persoonlijkheidskenmerken van belang:

  • Doorzettingsvermogen om een taak te volbrengen.
  • Creativiteit, het op originele wijze oplossen van problemen.

Hoogbegaafden denken snel

Om snel te kunnen denken, moet je in beelden denken (32 beelden per seconde) in plaats van in taal (2 woorden per seconde). Alleen door het in beelden denken, heb je snel overzicht, kun je gehelen overzien, ontdek je verbanden en kom je tot een passende, soms originele oplossing. Hoogintelligente en hoogbegaafde mensen zijn dus altijd in staat om in beelden te denken. Alleen zo kunnen zij snel en oplossingsgericht denken. In principe gebruiken deze mensen het beelddenken als voorkeursdenken bij het oplossen van problemen.

Een hoogbegaafde kan zowel beelddenken als taaldenken. Hij pakt het voorkeursdenken dat op dat moment het handigst is. Het taaldenken kan naast het beelddenken geïntegreerd zijn: immers taal is nodig in het onderwijs en in onze talige maatschappij. Het kunnen overschakelen van taal- naar beelddenken naar gelang de situatie geeft iemand een enorme bagage: je kunt zowel snel, creatief denken, als logisch, analytisch.

Doorzettingsvermogen

Bij hoogintelligente kinderen die zowel in beelden als in taal kunnen denken, is het doorzettingsvermogen van belang om tot succes te komen. Hoogintelligente kinderen die niet geleerd hebben om door te zetten, kunnen vastlopen in het automatiserende onderwijs. Met als gevolg dat ze onderpresteren.

Een hoogintelligent kind leert anders, hij verwerkt informatie vanuit het geheel, net als een beelddenker. Dit sluit niet goed aan bij het talige onderwijs. Als een hoogintelligentie kind zich niet erkend voelt, zal hij mogelijk gaan onderpresteren en een verkeerd zelfbeeld en faalangst ontwikkelen. Hij voelt zich als een volwassene in een kleuterklas.

Als een kind school saai vindt, wees dan alert.  Neem hem serieus en zoek eens uit hoe dat komt.

bron: beeldenbrein

Rekenproblemen bij beelddenkers

Rekenproblemen bij beelddenkers

Om goed te kunnen rekenen is getalbegrip nodig. Getalbegrip is de schakel tussen de ontwikkeling van denken en de rekenbewerkingen. Bij een gemiddelde  ontwikkeling ontwikkelt een kind tussen zijn zesde en zevende jaar getalbegrip.

Het totale besef van een getal ontstaat bij kinderen door het verbinden van drie facetten.

  1. Het woord
    Een getal kan als woord worden gebruikt. Laten we eens kijken naar het getal 6. Het woord dat bij het cijfer 6 hoort is `zes`.
  2. Het cijfer
    Een getal kan als cijfer, als telwoord worden gebruikt. Bijvoorbeeld het getal `6`.
    Een kind weet dat dit een telwoord is.  Het getal 6 staat tussen 5 en 7.
    Op deze manier wordt een getal binnen de rangorde van de telrij geplaatst en gebruikt.
  3. De hoeveelheid
    Een getal kan ook worden gebruikt om een hoeveelheid aan te geven. Het getal 6 kan bijvoorbeeld de hoeveelheid van 6 dropjes horen. We hebben dan een hoeveelheid van 6 dropjes.

Maar bij het getal 6 kunnen we ook de hoeveelheid van 6 auto’s plaatsen. De hoeveelheid is bij zowel de dropjes als bij de auto’s  is hetzelfde, maar 6 dropjes geven een ander beeld dan de 6 auto’s

zes

Het beeld

Een beelddenker moet leren het beeld van de hoeveelheid los te zien van de grootte. Dit is lastig voor een beelddenker.
Bij zes auto’s  heeft de beelddenker een beeld van iets groots en bij zes dropjes heeft de beelddenker een beeld van iets kleins. De dropjes passen op je hand en de auto’s  niet.
Maar beide hebben dezelfde hoeveelheid. Dit is lastig voor een beelddenker.
Door zijn beeld zal hij in eerste instantie zeggen dat zes auto’s  meer is.

Wat gebeurt er in het brein bij de drie facetten: woord, cijfer en hoeveelheid?

Het woord

Laten we als voorbeeld het woord `drie` nemen. Het woord komt binnen via de oren. Daarna wordt het woord drie geanalyseerd in het gebied van het verbale systeem in de linkerhersenhelft.  En wordt `drie` als klankvorm herkend.

Het cijfer

Het cijfer 3  als visuele vorm (symbool) wordt via de ogen (kijken) naar het achterste gedeelte van het brein gestuurd. Daar wordt `3` als beeld herkend, maar je weet nog niet wat het is.

Hoeveelheid

In een gebied bovenin het brein worden hoeveelheden geregistreerd.  Dicht bij dit gebied ligt het gebied van tellen op je vingers. Dit verklaart waarom het tellen op de vingers kan helpen en ondersteunen in de beginfase bij het rekenen.

Als deze drie gebieden goed samenwerken, kan een kind tot getalbegrip komen. En als het getalbegrip aanwezig is, kun je beginnen met rekenen.

Getalbeelden

Het is belangrijk om bij rekenen te ondersteunen met getalbeelden. Een beelddenker met rekenproblemen heeft het beeld van de hoeveelheid dat bij een getal hoort nodig.

Als je een beelddenker individueel begeleidt, ondersteun dan elk getal wat je benoemt of waar je een bewerking mee doet met een getalbeeld.

Hoe ondersteun je met getalbeelden?
Je kunt daarvoor gebruik maken van kleine blokjes of fiches. Als je praat over het getal 6, leg je 6 fiches op je hand ter ondersteuning van de opgave.
Of bij de uitleg van de som 3+5= kun je ondersteunen met de getalbeelden op de tafel te leggen. Ga creatief met getalbeelden om.

 

Waarom hebben beelddenkers vaak een zwakke concentratie?

Waarom hebben beelddenkers vaak een zwakke concentratie?

Beelddenkers leren anders. Ze verwerven informatie anders, maar ook de verwerking verloopt anders dan bij de kinderen die meer taal georiënteerd zijn. Beelddenkers verwerken informatie voornamelijk visueel, zij willen informatie ‘zien’ en verwerken informatie associërend.

Een beelddenker neemt 1500 prikkels per minuut waar. Bijvoorbeeld: Een kind kijkt naar de leerkracht die voor het bord staat om uitleg te geven over een spellingregel. De leerkracht noemt als voorbeeld het werkwoord spelen. Het kind hoort het woord ‘spelen’ en krijgt meteen associatie-beelden als: plein met het voetbaldoel > hierop volgt associatie > zijn voetbalwedstrijd van maandagavond > hierop volgt associatie > eten bij oma > hierop volgt associatie > vakantie met opa en oma > hierop volgt associatie > zwemmen in het zwembad.

De eerste uitleg van de spellingregels heeft het kind nu al gemist.
Een kind kijkt naar de leerkracht en ziet een hele hoop. Kijken de ogen van de leerkracht blij of boos – mooie krullen in het haar – rode jurk – de poster naast het bord. Maar tegelijk neemt een kind ook waar wat er naast hem gebeurt. Het kind neemt ook waar vanuit de ooghoeken en krijgt impulsen als: jan die op een pen kauwt – Mary heeft vandaag een gebloemde legging aan – de deur van het lokaal is niet helemaal dicht, enz.
In tegenstelling tot de 1500 prikkels van visuele waarnemingen, kan een persoon maar 200 woorden in een minuut uitspreken of denken. In het hoofd van een beelddenker is het dus best druk op zijn tijd!

De zwakke concentratie van een beelddenker is vooral toe te schrijven aan de associatieve informatieverwerking en het feit dat de ogen eerst informatie willen zien!

De concentratie van een kind, bepaalt hoe intensief en hoe lang hij zijn aandacht ergens op kan richten.

Dus hoelang kan hij echt bezig zijn met een taak?
Je hebt niet voor alle taken dezelfde vorm van concentratie nodig. Voor pingpongen heb je bijvoorbeeld een snellere, flitsender concentratie nodig dan voor schaken. Daarvoor heb je juist een rustige, analytische vorm nodig.
De verschillende vormen van concentratie zie je ook op school terug. Zelf actief bezig zijn vraagt een andere vorm van concentratie dan alleen luisteren. Daarbij vragen korte taken een andere vorm van concentratie dan taken die lang duren.

Bij beelddenkers zien je ook vaak concentratieproblemen als het voor hen niet duidelijk is waar ze mee bezig zijn. Daardoor zijn ze minder gemotiveerd en dus sneller afgeleid.

Wat helpt voor een betere concentratie?

Een effectieve concentratie oefening is Doodling of droedelen
Doodling is zonder na te denken tekeningetjes, bepaalde vormen, krullen enz. krabbelen terwijl je luistert naar iemand. Je bent doelloos aan het tekenen, krabbelen, terwijl je aandacht bij de leraar is. Het voorkomt dat je wegdroomt.

bron: beelendbrein en bestkids

 

Beelddenkers leren effectiever met beweging

Beelddenkers leren effectiever met beweging

Bij bewegend leren, benut een kind zijn zintuiglijk waarneming.  Het leren gaat daardoor effectiever en wordt bovenal veel leuker.  Vooral beelddenkers leren effectiever met beweging, omdat ze informatie verwerken vanuit de prikkels van hun zintuigen.

Erik Scherder doet veel onderzoek naar bewegen

Erik Scherder, hoogleraar bewegingswetenschappen aan de Rijksuniversiteit van Groningen, zegt het regelmatig: `Bewegen is niet alleen goed voor conditie, maar ook voor cognitie!`
In de hersenen vertonen neuronale systemen die betrokken zijn bij de motoriek een grote overlap met de neuronale systemen die een rol spelen bij cognitie.

Waarom werkt bewegend leren goed:

  • De hersenen krijgen veel zintuiglijke informatie, zoals de spieren, gewrichten, ogen en oren.
  • De rechter- en linkerhersenhelft gaan soepeler samenwerken.
  • Ogen gaan beter samenwerken.
  • Het bevordert concentratie.
  • Het bevorderen de aanmaak van endorfine.
  • Het bevorderen de aanmaak van dopamine.

Wat doet endorfine?

Bij lichamelijke inspanning komt er een stofje vrij; endorfine. Endorfine noemen we ook wel het gelukshormoon. Door de aanmaak van endorfine ga je energieker voelen. Het gevolg is dat je wel zin hebt in school. Dus wil een kind balans voelen, moet hij eerst energie gaan verbruiken door te bewegen!

Endorfine tegen stress

Door te bewegen gaat een kind steeds meer endorfine aanmaken. Leren wordt leuker en gaat zelfs`verslavend` werken. Een bijkomend voordeel is dat hoe meer endorfine er wordt aangemaakt, hoe beter een kind bestand is tegen (faal)angst. Door bewegen wordt leren niet alleen makkelijker, maar bewegen maakt ook gelukkiger. School wordt weer leuk en leren gaat makkelijker!

Wat doet dopamine voor het brein?

De zenuwcellen van de verschillende hersengebieden communiceren met elkaar door middel van neurotransmitters. Neurotransmitters zijn signaalstoffen. Dopamine is zo’n signaalstof.
Zonder Dopamine kunnen we niet leren. Dopamine is nodig voor het geheugen.

Hippocampus is belangrijk bij het geheugen

De Hippocampus is een onderdeel in onze hersenen dat een rol speelt bij het opslaan van informatie in het langetermijngeheugen en het weer terughalen van informatie naar het kortetermijngeheugen. De Hippocampus gebruikt hier Dopamine voor.

Extra dopamine door bewegen

Als we bewegen komt er Dopamine vrij. Veel dopamine laat het geheugen effectiever werken.

Wat betekent beweging voor je lichaam?

Bewegen verbetert tevens de stofwisseling, de spijsvertering en de doorbloeding. Als een kind regelmatig beweegt ontwikkelt een kind een sterk immuunsysteem, waardoor hij minder snel ziek wordt.

 

bron: beeldenbrein