**//sticky ads code//**
Er zit meer in dan dat eruit komt!

Er zit meer in dan dat eruit komt!

In normale situaties werken onze verbale en performale eigenschappen samen, maar bij een kloof verloopt die samenwerking niet zo vlot. Een kind kan zich dan geen beeld vormen van een bepaalde situatie en kan er daarom niet goed mee omgaan, hetgeen zich op school bijvoorbeeld kan uiten in slechte schoolresultaten.

Het performale IQ zegt iets over hoe iemand praktisch omgaat met kennis. Hoe los je praktisch een probleem op.  Motorische vaardigheden spelen hierbij een rol, maar ook ruimtelijk inzicht.
Het verbale IQ daarin heeft betrekking op woordenschat, taalgevoel, redeneringsvermogen.

Van een kloof wordt gesproken wanneer de verbale en niet-verbale IQ score van een kind wezenlijk van elkaar verschillen. Dit kan dus twee kanten op gaan: verbaal sterker of performaal sterker.  Een kloof waarbij iemand performaal verbaal hoger scoort dan verbaal is zeldzaam, maar komt voor bij kinderen.

Performaal sterker dan verbaal

Dit is een vrij ongrijpbare kloof voor veel mensen. Een kind denkt namelijk op een hoger niveau dan dat het zich verbaal kan uiten. Het ruimtelijk inzicht, organisatorisch vermogen en de detailwaarneming van het kind zijn beter ontwikkeld dan zijn vermogen om zijn gedachten te uiten met taal. Dit kind zal mensen verrassen met complexe visueel-ruimtelijke taken en een goed overzicht kunnen houden over de taken die hij krijgt. Tegelijkertijd kan het kind gefrustreerd raken doordat hij zich niet altijd kenbaar kan maken in taal en regelmatig onderschat wordt.

Een hoge performale intelligentie kan in de onderwijssituatie vertraging of stagnaties in het leerproces veroorzaken, omdat het kind gebruik maakt van een denkproces waarbij het via het handelen inzicht verwerft en ook bij voorkeur handelend tot oplossingen komt.

Een kind wordt veelal aangesproken op het niveau waar het zich verbaal uit. Er zit echter veel meer in  een kind dan er zichtbaar is, een kind wordt chronisch onderschat. Dit kan tot hevige frustraties leiden bij een kind .

Hoe ga je hier mee om?

Bij deze kinderen is het belangrijk om te begeleiden door te reflecteren op eigen gedrag in taal en ze uit te blijven dagen op school met ruimtelijke taken. Zo leert een kind zich steeds beter uiten in taal, terwijl hij ook ervaart dat hij vaardig kan zijn op school. Dit succes stimuleert en zorgt er voor dat een kind beter in zijn vel zit.

Wanneer een kind ook moeite heeft met het vinden van woorden kan logopedie uitkomst bieden. Op speelse wijze kan gewerkt worden aan woordvinding en vertelvaardigheid (verhaalopbouw, het leren scheiden van hoofd en bijzaken)

Deze kloof waarbij een kind performaal sterker is, wordt soms vergeleken met beelddenken. Er is echter geen wetenschappelijk bewijs dat beelddenken vast te stellen is aan de hand van intelligentiegegevens, omdat de verbale subtests ook op een beelddenk manier kan worden gedaan.

Hoe ontstaat een leerprobleem?

Hoe ontstaat een leerprobleem?

Op scholen proberen leerkrachten door middel van herhaling kinderen te laten automatiseren. Het idee hierachter is, dat wanneer je iets maar vaak genoeg herhaalt, het vanzelf in het lange termijn geheugen terechtkomt. Helaas werkt dit niet bij alle kinderen. Er ontstaan leerproblemen bij kinderen wanneer dit automatiseringsproces door gedachtestromen en associaties wordt verstoord.

Er zijn veel kinderen, die behoorlijk slim zijn, maar waarbij dit er op school toch niet echt uitkomt. Kinderen waarvan de resultaten achterblijven en de leerkracht aangeeft dat het kind ‘het’ niet kan.

Deze kinderen hebben vaak een voorkeur om met hun rechterhersenhelft te denken. Ze zijn visueel en gevoelsmatig ingesteld, denken meer in beelden dan in woorden. Ze associëren heel sterk met wat zij visueel en gevoelsmatig waarnemen en zijn hierdoor nog al eens ‘afwezig’ of ‘afgeleid’.

Hoe komt dit?

De hersenen bestaan uit twee verschillende helften die onderling verbonden zijn. Ze kunnen onafhankelijk van elkaar functioneren maar werken ook vaak samen. Bij het leren van nieuwe dingen, gebruik je de meest dominante hersenhelft.

De rechter hersenhelft denkt in beelden, deze hersenhelft “voelt en weet”. Veel zaken die we nodig hebben om praktisch te kunnen functioneren vinden we terug in de rechterhersenhelft zoals emotie, verbeelding, ruimtelijk inzicht, overzicht, muziek & ritme, kleurherkenning en dergelijk.

Terwijl de linker hersenhelft “denkt” en theoretiseert. De logica vindt plaats in deze hersenhelft , letters, woorden, cijfers, volgordes en analyses.

Linksgeoriënteerde leerstijl

Kinderen met een linksgeoriënteerde leerstijl leren stapje voor stapje en werken zo naar een oplossing toe.

taaldenkers

Rechtsgeoriënteerde leerstijl

Kinderen met een rechtsgeoriënteerde leerstijl, beelddenkers  doen direct een poging om tot een oplossing te komen, daarna gaan ze pas kijken of het goed is uitgevoerd.

beelddenkers

Hoe ontstaat nu een leerprobleem?

Op school willen leerkrachten – door middel van een spellingsregel – kinderen laten beredeneren hoe een woord geschreven moet worden. Op deze manier moet een “woordbeeld”  ontstaan. Deze manier van leren is linksgeoriënteerde.  Kinderen met een rechtsgeoriënteerde leerstijl haken vaak halverwege af bij deze uitleg. Ze willen direct naar de oplossing: het woordbeeld.
Kinderen met een rechtsgeoriënteerde leerstijl worden in deze dus gehinderd door de linksgeoriënteerde manier van werken. Op de meeste leesmethode op school kennen deze opbouw van de leerstof.

De manier van lesgeven op de school is vaak gericht op een verbale manier van informatie verwerken. Een leerkracht vertelt en kinderen luisteren.

Kinderen met een rechtsgeoriënteerde leerstijl  verwerken de informatie met ál hun zintuigen tegelijk: horen, zien, doen, ruiken en voelen. Alleen op deze manier zijn ze in staat een beeld te vormen bij de aangeboden stof. Dit moeten ze dan nog verwerken en onthouden. Dat kost veel tijd.  Beelddenkers willen liever zien en doen. Daar ligt dus ruimte voor de leerkracht om het beste te halen uit deze kinderen. Met een computer of een tablet bijvoorbeeld, kunnen kinderen aan de slag met leermateriaal dat past bij hun leerstijl.

bron: kernvisiemethode.nl

Beelddenken dat kan toch iedereen!

Beelddenken dat kan toch iedereen!

Het lijkt zo vanzelfsprekend,  iedereen kan toch in beelden denken! Maar er is een groot verschil tussen beelddenken en beeldvormen

Wat is Beelddenken?

Beelddenken heeft te maken met de manier waarop informatie wordt verwerkt. Een beelddenker doet dat in eerste instantie zonder woorden. Om zijn gedachten, de beelden te kunnen overbrengen, moet een beelddenker gebruik maken van taal. Dat is verwoorden achteraf, de beelddenker probeert zijn beeld in woorden uit te leggen.
Een beelddenker moet de woorden bij het beeld zoeken. Als een beelddenker bewust het beeld van een huis oproept, zullen er andere associatiebeelden als het gras in de tuin, de tafel in de keuken in zijn hoofd verschijnen. Een beelddenker bevindt zich in het beeld, in gedachte kijk hij rondom en in het huis lopen. Het vertalen van beeld naar taal kost tijd en veel concentratie.

Wat is beeldvormen?

Beeldvormen of ook wel visualiseren heeft alleen betrekking op het eindgebeuren en niet op het denkproces zelf. Een taaldenker zal zeggen: “Ik kan ook een beeld voor me zien”. En dat klopt ook, dit noemen we beeldvormen. Een taaldenker denkt hoofdzakelijk in woorden en begrippen en vormt beelden als geheugensteun om iets te vertellen. Hij bedenkt het plaatje bij zijn woorden.
Een taaldenker visualiseert bijvoorbeeld een huis en kijkt tegen het beeld van een huis aan.

Een beelddenker bevindt zich in het beeld.
Het beeld is het denkproces van de beelddenker. Het verwoorden gebeurt achteraf.

Een taaldenker kijkt tegen het beeld.
Een taaldenker zoekt een beeld als steun voor zijn taal. Het denkproces gebeurt met taal.

Verschillen in communicatie

Taaldenkers denken voornamelijk vanuit structuren, details en woorden. Beelddenkers werken voornamelijk vanuit associaties, gehelen en beeld.
Hetzelfde onderwerp wordt dus op verschillenden manieren benaderd. Hierdoor kunnen er misverstanden ontstaan op het gebied van communicatie.

Een beelddenker slaat stappen over. Doordat een beelddenker alles bekijkt vanuit gehelen en het resultaat voor ogen heeft, slaat hij in de communicatie stappen over. Het is lastig om het kant en klare beeld duidelijk en gestructureerd te verwoorden.

Het gebruik van een mindmap kan helpen om beter te communiceren. Noteer het gesprek in een mindmap. Op deze manier kan je associatief werken en zo benut je de talenten van zowel het creatieve, snelle, associatieve van de beelddenker als het geordende, op volgorde zetten van de taaldenker.

bron: beeld en brein

Rekenproblemen anders bekeken

Rekenproblemen anders bekeken

Om goed te kunnen rekenen is getalbegrip nodig. Getalbegrip is de schakel tussen de ontwikkeling van denken en de rekenbewerkingen. Bij een gemiddelde ontwikkeling ontwikkelt een kind tussen zijn zesde en zevende jaar getalbegrip. Rekenproblemen ontstaan als dit begrip (nog) niet goed is ontwikkelt.

Het totale besef van een getal ontstaat bij kinderen door het verbinden van drie facetten.

  1. Het woord
    Een getal kan als woord worden gebruikt. Laten we eens kijken naar het getal 6. Het woord dat bij het cijfer 6 hoort is `zes`.
  2. Het cijfer
    Een getal kan als cijfer, als telwoord worden gebruikt. Bijvoorbeeld het getal `6`.
    Een kind weet dat dit een telwoord is.  Het getal 6 staat tussen 5 en 7.
    Op deze manier wordt een getal binnen de rangorde van de telrij geplaatst en gebruikt.
  3. De hoeveelheid
    Een getal kan ook worden gebruikt om een hoeveelheid aan te geven. Het getal 6 kan bijvoorbeeld de hoeveelheid van 6 dropjes horen. We hebben dan een hoeveelheid van 6 dropjes.

Maar bij het getal 6 kunnen we ook de hoeveelheid van 6 auto’s plaatsen. De hoeveelheid is bij zowel de dropjes als bij de auto’s  is hetzelfde, maar 6 dropjes geven een ander beeld dan de 6 auto’s

zes

Het beeld

Kinderen die anders informatie verwerken, bijvoorbeeld beelddenkers moet leren het beeld van de hoeveelheid los te zien van de grootte. Dit is lastig voor sommige kinderen.
Bij zes auto’s  heeft de beelddenker een beeld van iets groots en bij zes dropjes heeft de beelddenker een beeld van iets kleins. De dropjes passen op je hand en de auto’s  niet.
Maar beide hebben dezelfde hoeveelheid. Door zijn beeld zal hij in eerste instantie zeggen dat zes auto’s  meer is.

Wat gebeurt er in het brein bij de drie facetten: woord, cijfer en hoeveelheid?

Het woord

Laten we als voorbeeld het woord drie nemen. Het woord komt binnen via de oren. Daarna wordt het woord drie geanalyseerd in het gebied van het verbale systeem in de linkerhersenhelft.  En wordt drie als klankvorm herkend.

Het cijfer

Het cijfer 3  als visuele vorm (symbool) wordt via de ogen (kijken) naar het achterste gedeelte van het brein gestuurd. Daar wordt 3 als beeld herkend, maar je weet nog niet wat het is.

Hoeveelheid

In een gebied bovenin het brein worden hoeveelheden geregistreerd.  Dicht bij dit gebied ligt het gebied van tellen op je vingers. Dit verklaart waarom het tellen op de vingers kan helpen en ondersteunen in de beginfase bij het rekenen.

Als deze drie gebieden goed samenwerken, kan een kind tot getalbegrip komen. En als het getalbegrip aanwezig is, kun je beginnen met rekenen.

Getalbeelden

Het is belangrijk om bij rekenen te ondersteunen met getalbeelden. Een beelddenker met rekenproblemen heeft het beeld van de hoeveelheid dat bij een getal hoort nodig.
Als je een kind begeleidt, ondersteun dan elk getal wat je benoemt of waar je een bewerking mee doet met een getalbeeld.

Hoe ondersteun je met getalbeelden?
Je kunt daarvoor gebruik maken van kleine blokjes of fiches. Als je praat over het getal 6, leg je 6 fiches op je hand ter ondersteuning van de opgave.
Of bij de uitleg van de som 3+5= kun je ondersteunen met de getalbeelden op de tafel te leggen. Ga creatief met getalbeelden om.

 

Herhaling maakt lui! Hoe wordt het geheugen wel optimaal benut!

Herhaling maakt lui! Hoe wordt het geheugen wel optimaal benut!

Leren en beelddenken gaan soms lastig samen door het associatieve denken. Het is vaak lastig voor beelddenkers om lesstof te onthouden. Door het brein te verrassen wordt het geheugen optimaal benut.

Maar hoe doe je dat?

Je weet het misschien nog van vroeger. Elke dag fiets je dezelfde route naar school met je moeder, met dezelfde fiets, over dezelfde weg, langs dezelfde huizen. Het is een routine en je bent je niet eens bewust meer van de route. Op een ochtend steken er plotseling drie vrolijke clowns de weg over en je kunt ze met een snelle beweging en door te remmen maar net ontwijken. De clowns hebben gekleurde ballonnen in hun hand en lopen naar de winkels aan de overkant van de weg.
Je zegt de clowns gedag en staat hijgend stil, dat ging maar net goed!

Deze ochtend zul je je blijven herinneren. Het beeld van de clowns op de weg en de schrik van het remmen was een bijzondere ervaring. Iets wat je nog niet eerder had meegemaakt. Je kunt je later nog precies herinneren dat het toen hard waaide en dat je moeder haar blauw jas aanhad. Van alle andere ochtenden herinner je weinig tot niks. Maar deze ochtend werden je hersenen alert en registreerden en ook veel details.

Je verrast het brein door iets bijzonders, iets anders. Je hersenen worden wakker en registreerden meteen alle nieuwe details. Zo wordt het geheugen optimaal benut.

Wanneer we nieuwe dingen meemaken, zorgt een feedbacksysteem in ons brein er voor dat we die opmerken. Daarbij registreren onze hersenen ook de bekendere dingen in die situatie bewuster, zodat je ze beter onthoudt. Bij het leren van nieuwe dingen kun je hier leuk gebruik van maken.

BIJZONDER maken

Door informatie opvallend en bijzonder te maken, wordt het brein van kinderen wakker.
Een kind denkt, iets nieuws…leuk en interessant. Het brein van een kind registreert meteen de nieuwe informatie en koppelt deze informatie aan al opgeslagen informatie in zijn geheugen. Ze kunnen lesstof dan beter en sneller onthouden. Denk maar aan de clowns uit het voorbeeld.

Door het gebruik van associaties en beelden kun je gewone informatie opeens opvallend en dus betekenisvol maken.

Vergeet je altijd de naam van mensen, probeer je dan eens bij het kennismaken,  zo’n persoon voor te stellen met een lange grijze baard of met olifantenoren. Je zult merken dat de naam beter beklijft…  Je maakt het bijzonder. Daardoor schiet de naam direct naar het langetermijngeheugen.

Het bijzonder maken van lesstof door associaties en beelden te gebruiken sluit goed aan bij de informatieverwerking van de beelddenker.

Onderzoeken van zowel Het Instituut voor Cognitieve Neurologie van de Otto von Guericke-Universiteit in Maagdenburg als The London University College in Londen geven aan dat het herhalen van leerstof pas zinvol is als we de hersenen eerst iets bijzonders aanbieden waardoor deze wakker worden en alerter reageren. Dit heeft direct te maken met de Hippocampus, een onderdeel in onze hersenen dat een rol speelt bij het opslaan van informatie in het langetermijngeheugen en het weer terughalen van informatie naar het kortetermijngeheugen.

Hoe werkt het?

De Hippocampus vergelijkt binnenkomende informatie met de al opgeslagen informatie. Als de binnenkomende informatie verschilt van de reeds opgeslagen informatie, geeft de Hippocampus een signaal aan het deel van de hersenen dat Dopamine aanmaakt, waarna ze via zenuwvezels dit terug melden aan de Hippocampus. Veel dopamine laat het geheugen effectiever werken.

Herhalen maakt `lui`

Deze nieuwste ontdekkingen kunnen het lesgeven effectiever maken. Immers: door een les te beginnen met herhalen wat al geleerd is, maak je de hersenen <em>lui</em>. De Hippocampus denkt: Dat weet ik al!. Er wordt geen signaal gegeven, waardoor er minder Dopamine wordt aangemaakt. Resultaat is dat de nieuwe informatie die de leerkracht die les aanbiedt, minder goed binnenkomt bij leerlingen.

Iets verrassends

Begin de les dus eens met iets verrassends. Een gekke hoed, een mop, beweging… iets wat kinderen niet verwachten. De Hippocampus wordt alert: hier gebeurt iets bijzonders!  Door het in werking zetten van de hersenen, wordt extra Dopamine aangemaakt, waardoor de verbindingen tussen de zenuwcellen worden versterkt en nieuwe informatie beter wordt opgenomen. De les wordt zo een stuk effectiever en leuker.

bron beeldenbrein

Hoe krijgt een kind meer tijdsbesef?

Hoe krijgt een kind meer tijdsbesef?

Regelmaat is erg belangrijk voor kinderen en helemaal voor beelddenkers. Een typisch kenmerk van een beelddenkers is dat zij als het ware “niet in de tijd, maar in de activiteit” leven. Tijd zegt ze daarom niet zo veel. Hoe help je een kind om toch meer tijdsbesef te krijgen?

Het tijdsbesef van beelddenkers

Beelddenkers denken vaak meer tijd ter beschikking te hebben dan er feitelijk is. Ze komen vaak te laat, schatten tijd verkeerd in en hebben geen idee welke dag of maand het is.
Kinderen hebben geen besef van hoe lang iets duurt, of hoeveel tijd ze nog nodig hebben. Laat staan dat ze kunnen inschatten wanneer ze een zee van tijd hebben en wanneer ze zich moeten haasten. Een tijdschema kan al veel helpen. Hiermee heeft een kind een overzicht van de taken die het nog allemaal moet doen

Door regelmaat krijgt tijd betekenis

Regelmaat is het tovermiddel om (beelddenkende) kinderen rustiger te laten worden. Maak de tijd voorspelbaar door er regelmaat in te bouwen en door duidelijk de verschillende momenten aan te geven en zo te houden. Bijvoorbeeld nu is is het tijd om aan te kleden,  etenstijd, sporten of tijd om te spelen.
Een dagritme kaart kan hierbij helpen. Geef in beelden of symbolen aan wat wanneer wordt gedaan, in welke volgorde. Zorg ervoor dat het bord op een plek hangt welke een kind zelf kan zien.
Het zichtbaar maken van de activiteiten stimuleert tevens de verantwoordelijkheid voor taken. Het vergroot de betrokkenheid binnen het gezin. Iedereen ziet de dagindeling en elkaars activiteiten. Waardoor er meer tijd is voor gezelligheid en een positieve ‘vibe’ binnen het gezin.

Aankondigen van de tijd

Het is niet altijd eenvoudig om kinderen die druk aan het spelen zijn, aan het werk te krijgen of gewoon te doen stoppen. Kinderen hebben, net als volwassenen ook de tijd nodig om iets af te ronden. Belangrijk is daarom het stop-moment duidelijk en eventjes op voorhand aankondigen. Een kookwekkertje kan hierbij een hulpmiddel zijn. Maak 10 tot 15 minuten voor het einde, de afspraak met het kind, dat het nog even verder mag spelen, tot de wekker afloopt.