Hoe ontstaat een leerprobleem?

Hoe ontstaat een leerprobleem?

Op scholen proberen leerkrachten door middel van herhaling kinderen te laten automatiseren. Het idee hierachter is, dat wanneer je iets maar vaak genoeg herhaalt, het vanzelf in het lange termijn geheugen terechtkomt. Helaas werkt dit niet bij alle kinderen. Er ontstaan leerproblemen bij kinderen wanneer dit automatiseringsproces door gedachtestromen en associaties wordt verstoord.

Er zijn veel kinderen, die behoorlijk slim zijn, maar waarbij dit er op school toch niet echt uitkomt. Kinderen waarvan de resultaten achterblijven en de leerkracht aangeeft dat het kind ‘het’ niet kan.

Deze kinderen hebben vaak een voorkeur om met hun rechterhersenhelft te denken. Ze zijn visueel en gevoelsmatig ingesteld, denken meer in beelden dan in woorden. Ze associëren heel sterk met wat zij visueel en gevoelsmatig waarnemen en zijn hierdoor nog al eens ‘afwezig’ of ‘afgeleid’.

Hoe zorgt dit voor een leerprobleem?

De hersenen bestaan uit twee verschillende helften die onderling verbonden zijn. Ze kunnen onafhankelijk van elkaar functioneren maar werken ook vaak samen. Bij het leren van nieuwe dingen, gebruik je de meest dominante hersenhelft.

De rechter hersenhelft denkt in beelden, deze hersenhelft “voelt en weet”. Veel zaken die we nodig hebben om praktisch te kunnen functioneren vinden we terug in de rechterhersenhelft zoals emotie, verbeelding, ruimtelijk inzicht, overzicht, muziek & ritme, kleurherkenning en dergelijk.

Terwijl de linker hersenhelft “denkt” en theoretiseert. De logica vindt plaats in deze hersenhelft , letters, woorden, cijfers, volgordes en analyses.

Lees meer over het gebruik van de linker en rechterhersenhelft

Linksgeoriënteerde leerstijl

Kinderen met een linksgeoriënteerde leerstijl leren stapje voor stapje en werken zo naar een oplossing toe.

taaldenkers

Rechtsgeoriënteerde leerstijl

Kinderen met een rechtsgeoriënteerde leerstijl, beelddenkers  doen direct een poging om tot een oplossing te komen, daarna gaan ze pas kijken of het goed is uitgevoerd.

beelddenkers

Hoe ontstaat nu een leerprobleem?

Op school willen leerkrachten – door middel van een spellingsregel – kinderen laten beredeneren hoe een woord geschreven moet worden. Op deze manier moet een “woordbeeld”  ontstaan. Deze manier van leren is linksgeoriënteerde. Kinderen met een rechtsgeoriënteerde leerstijl haken vaak halverwege af bij deze uitleg. Ze willen direct naar de oplossing: het woordbeeld.
Kinderen met een rechtsgeoriënteerde leerstijl worden in deze dus gehinderd door de linksgeoriënteerde manier van werken. Op de meeste leesmethode op school kennen deze opbouw van de leerstof.

De manier van lesgeven op de school is vaak gericht op een verbale manier van informatie verwerken. Een leerkracht vertelt en kinderen luisteren.

Kinderen met een rechtsgeoriënteerde leerstijl  verwerken de informatie met ál hun zintuigen tegelijk: horen, zien, doen, ruiken en voelen. Alleen op deze manier zijn ze in staat een beeld te vormen bij de aangeboden stof. Dit moeten ze dan nog verwerken en onthouden. Dat kost veel tijd.  Beelddenkers willen liever zien en doen. Daar ligt dus ruimte voor de leerkracht om het beste te halen uit deze kinderen. Met een computer of een tablet bijvoorbeeld, kunnen kinderen aan de slag met leermateriaal dat past bij hun leerstijl. Op deze manier is de kans op leerprobleem kleiner.

bron: kernvisiemethode.nl

Herhaling maakt lui! Hoe wordt het geheugen wel optimaal benut!

Herhaling maakt lui! Hoe wordt het geheugen wel optimaal benut!

Als we nieuwe dingen meemaken, zorgt een feedbacksysteem in ons brein er voor dat we die opmerken. Dingen die bekend zijn registeren we op zo’n moment ook bewuster en onthouden beter. Dit gegeven kan ook in het onderwijs ontzettend goed van pas komen. Door de hersenen van kinderen te verrassen, maken we ze actiever en onthouden kinderen dingen beter! Een simpele geheugentechnieken. Dit werkt met name bij de beelddenkers die associatief denken en daardoor snel wegdromen.

Hoe werkt deze geheugentechnieken?

Je weet het misschien nog van vroeger. Elke dag fiets je dezelfde route naar school met je moeder, met dezelfde fiets, over dezelfde weg, langs dezelfde huizen. Het is een routine en je bent je niet eens bewust meer van de route. Op een ochtend steken er plotseling drie vrolijke clowns de weg over en je kunt ze met een snelle beweging en door te remmen maar net ontwijken. De clowns hebben gekleurde ballonnen in hun hand en lopen naar de winkels aan de overkant van de weg.
Je zegt de clowns gedag en staat hijgend stil, dat ging maar net goed!

Deze ochtend zul je je blijven herinneren. Het beeld van de clowns op de weg en de schrik van het remmen was een bijzondere ervaring. Iets wat je nog niet eerder had meegemaakt. Je kunt je later nog precies herinneren dat het toen hard waaide en dat je moeder haar blauw jas aanhad. Van alle andere ochtenden herinner je vrij weinig tot niks. Door de verrassend gebeurtenis werden je hersenen alert en registreerden veel details.

Bijzonder maken

Door informatie opvallend en bijzonder te maken, wordt het brein van kinderen wakker.
Een kind denkt, iets nieuws, leuk en interessant. Het brein van een kind registreert meteen de nieuwe informatie en koppelt deze informatie aan al opgeslagen informatie in zijn geheugen. Ze kunnen lesstof dan beter en sneller onthouden. Denk maar aan de clowns uit het voorbeeld.

Door het gebruik van associaties en beelden kun je gewone informatie opeens opvallend en dus betekenisvol maken.

Vergeet je altijd de naam van mensen, probeer je dan eens bij het kennismaken,  zo’n persoon voor te stellen met een lange grijze baard of met olifantenoren. Je zult merken dat de naam beter beklijft…  Je maakt het bijzonder. Daardoor schiet de naam direct naar het langetermijngeheugen.

Het bijzonder maken van lesstof door associaties en beelden te gebruiken sluit goed aan bij de informatieverwerking van de beelddenker.

Onderzoeken van zowel Het Instituut voor Cognitieve Neurologie van de Otto von Guericke-Universiteit in Maagdenburg als The London University College in Londen geven aan dat het herhalen van leerstof pas zinvol is als we de hersenen eerst iets bijzonders aanbieden waardoor deze wakker worden en alerter reageren. Dit heeft direct te maken met de Hippocampus, een onderdeel in onze hersenen dat een rol speelt bij het opslaan van informatie in het langetermijngeheugen en het weer terughalen van informatie naar het kortetermijngeheugen.

Hoe werkt het?

De Hippocampus vergelijkt binnenkomende informatie met de al opgeslagen informatie. Als de binnenkomende informatie verschilt van de reeds opgeslagen informatie, geeft de Hippocampus een signaal aan het deel van de hersenen dat Dopamine aanmaakt, waarna ze via zenuwvezels dit terug melden aan de Hippocampus. Veel dopamine laat het geheugen effectiever werken.

Herhalen maakt `lui`

Deze nieuwste ontdekkingen kunnen het lesgeven effectiever maken. Immers: door een les te beginnen met herhalen wat al geleerd is, maak je de hersenen lui. De Hippocampus denkt: Dat weet ik al!. Er wordt geen signaal gegeven, waardoor er minder Dopamine wordt aangemaakt. Resultaat is dat de nieuwe informatie die de leerkracht die les aanbiedt, minder goed binnenkomt bij leerlingen.

Iets verrassends werkt als geheugentechnieken

Begin de les dus eens met iets verrassends. Een gekke hoed, een mop, beweging… iets wat kinderen niet verwachten. De Hippocampus wordt alert: hier gebeurt iets bijzonders! Deze geheugentechnieken zetten de hersenen aan het werk, er wordt extra Dopamine aangemaakt, waardoor de verbindingen tussen de zenuwcellen worden versterkt en nieuwe informatie beter wordt opgenomen. De les wordt zo een stuk effectiever en leuker.

Herhaling Maakt Lui

bron beeldenbrein

Ongewenst gedrag anders bekeken!

Ongewenst gedrag anders bekeken!

Dit is het verhaal van Sil. Sil is zo’n kind dat  bij iedereen op school bekend is. Sil vertoont ongewenst gedrag , hij is aanwezig, vrolijk, sociaal, creatief, lief…

Maar ook: wiebelig, niet luisterend naar de juf, naar buiten kijkend als de juf iets uitlegt, te laat komen, want er kwam iets anders heel belangrijks tussendoor… En ga zo maar door.
En die laatste kenmerken, die komen steeds weer naar voren. Op de rapporten staat dan: ” Sil is een lieve leuke jongen, maar hij is snel afgeleid.” Of: ”Sil is nogal dromerig” Of: “ Het zit erin, maar het komt er nog niet uit”. Allemaal goed bedoelde aantekeningen van de leerkracht, die ook zo graag wil dat Sil hogere cijfers haalt.

Ongewenst gedrag, en wat dan ?

School en ouders gaan oplossingen bedenken. Want allemaal willen we dat Sil het beter gaat doen op school, en dat hij niet steeds het idee krijgt van:” ik doe het (weer) niet goed”.

Sil gaat als het ware “een traject” in. Om hem te helpen bij zijn ongewenst gedrag. Sil krijgt rt op school, om de leerstof extra te oefenen. Hij krijgt ook huiswerk, om samen met met zijn ouders te doen. Als dit niet voldoende werkt, moeten ouders allerlei vragenlijsten invullen. Sil moet allerlei testjes doen, om te kijken waar het probleem zit. En dan de uitslag: Sil is dyslectisch, Sil vertoont kenmerken van AD(H)D.

Probleem en oplossing

Er is dus echt een probleem, zo blijkt. Wat zijn hiervoor dan de oplossingen?
Voor de dyslexie kan Sil een dyslexieverklaring krijgen. Hiermee krijgt hij:

  • extra tijd bij toetsen(meestal 30 minuten)
  • proefwerken vergroot afdrukken, zodat de letters beter leesbaar zijn
  • gebruik van ICT-hulpmiddelen zoals Kurzweil 3000, Sprint Plus, WoDy of een Daisy speler
  • een kopie of print van alle informatie die op het (digitale) schoolbord is geschreven
  • mondeling toetsen afnemen
  • teksten in het Lettertype Dyslexie indien dit de persoonlijke voorkeur van jouw kind heeft
  • vrijstelling in het VMBO, om een extra tweede taal te laten vallen, zoals Frans of Duits

Voor het AD(H)D probleem kan een pilletje, zoals Ritalin of Concerta een oplossing bieden.
Het is fijn voor Sil dat er oplossingen gezocht en gevonden worden.

Maar toch blijft er iets knagen bij de ouders van Sil. Want met een pilletje wordt Sil wel rustiger, maar niet blijer. En de hulpmiddelen die hij krijgt vanwege zijn dyslexieverklaring, zijn weliswaar handig, maar ook hierbij blijft Sil het idee houden dat hij anders (lees: minder) is dan zijn klasgenoten. En dat is niet fijn…

Vergeet de mooie kanten niet van drukke kinderen

Zijn er wellicht ook andere oplossingen? Ja, er zijn alternatieven.

Denk eens aan:

  • De Davis Methode, waarbij jouw kind zelf leert op welke manier hij het beste leert
  • Ik leer anders, met praktische tips om anders te leren
  • Ik leer leren, waarbij je kijkt naar de voorkeursleerstijl van een kind
  • Snel leren=leuk leren, om te leren hoe je efficiënt huiswerk kunt maken en leren

Heb jij ook zo’n kind als Sil? En wil je meer weten over andere oplossingen?
Kijk eens op mijn site www.brain-based.com Of neem contact op. Ik denk graag met je mee!

Wat ik wenste dat de wereld wist over de ADHD van mijn kind

Het impulsieve gedrag van beelddenkers

Het impulsieve gedrag van beelddenkers

We worden allemaal geboren met een dominante rechter hersenhelft. Dit is ook heel logisch, want de taalontwikkeling en het beredeneren komt pas op latere leeftijd.
Wanneer een baby honger heeft gaat hij huilen, krijsen en met zijn armen en benen zwaaien om de aandacht van zijn vader of moeder te krijgen. Dit impulsieve gedrag van een baby stopt als hij melk krijgt. Een baby snapt nog niet dat hij soms even moet wachten met eten. Nee hij heeft NU honger! We spreken dan van een primair denkproces.

Primaire en secundair denkproces

Beelddenkers blijven meer bij het primair leerproces. Gevolg hiervan is dat ze vaak direct hun behoefte willen vervullen. Autoriteit maakt niet veel indruk, het gevoel van binnen overheerst. Een kind krijgt onterecht het stempel niet in staat om te luisteren.

Het secundaire denkproces stelt gecontroleerd de behoefte tot bevrediging uit tot een geschikt moment. Rond het tiende levensjaar is de linker hersenhelft zo goed als ontwikkeld, het secondaire denkproces neemt dan veelal de overhand. De meeste kinderen weten zich vanaf deze leeftijd redelijk te beheersen als ze hun zin niet krijgen. Ze bekijken de omstandigheden.  Beelddenkers daarentegen blijven veelal de voorkeur houden voor het primaire denkproces.

Dit heeft vaak het volgende resultaat:

  • weinig geduld
  • autoriteiten maken niet veel indruk
  • gevoel van binnen overheerst
  • accepteren geen nee
  • geen uitstel dulden
  • obsessie of “hyperfocus” (bijvoorbeeld door een spelletje)
  • afstand nemen van een situatie is moeilijk
  • wat gedaan wordt gebeurt intensief

Hoe kun je omgaan met impulsieve gedrag

Het beelddenkende kind wil vaak direct zijn behoefte bevredigen. Beredeneren kent hij niet en hij voelt alleen een dringende behoefte: Bijvoorbeeld ik wil NU een glaasje limonade. Elk argument van zijn moeder zal een kind verwerpen, simpelweg omdat het niet in zijn denkproces past. Als hij zijn behoefte niet direct kan bevredigen, kan dit een driftbui veroorzaken. Hij krijgt uiteindelijk het stempel van een ongeduldig kind dat nooit wil luisteren.

Wanneer je een kind vraagt of mama tegelijkertijd kan stofzuigen en kan limonade inschenken. Een kind vormt zich nu een beeld van de situatie. Waardoor hij begrijpt dat hij even moet wachten. Of hij is creatief en vindingrijk alles om toch zijn zin te krijgen.

Bij driftbuien kan afleiden van het onderwerp soms de oplossing bieden. Zeker als je het als ouder even niet meer weet. Begin totaal ergens anders over, dit leidt een kind vaak af van het kritische onderwerp.

Geduld kan worden aangeleerd door de wachttijd visueel te maken of te vragen om zich voor te stellen

bron: ik leer in beelden

 

Meer zelfvertrouwen voor beelddenkers door de juiste feedback

Meer zelfvertrouwen voor beelddenkers door de juiste feedback

Het komt vaak voor dat beelddenkers weinig zelfvertrouwen hebben of zelf faalangst ontwikkelen. Dit doordat ze informatie anders verwerken.
Beelddenkers leren vanuit het geheel al associërend naar het antwoord of de oplossing. Dit is niet een proces dat netjes op volgorde gaat. Dit is een associatief, chaotisch proces. Een beelddenker heeft dus duidelijke structuren en kaders nodig om het overzicht in zijn chaotische wereld te houden. Wat verbetert het zelfvertrouwen van beelddenkers?

Binnen het onderwijs wordt veel nadruk gelegd op volgorde en details en het verwerken van seriële informatie. Dit is voor beelddenkers ontzettend lastig. Details onderscheiden is niet de sterkste kant van een beelddenker.
Een beelddenker zoekt overeenkomsten vanuit het geheel, niet naar verschillen.

Omdat het onderwijs niet goed aansluit bij hun manier van informatie verwerken, verliezen zij hun zelfvertrouwen en ontwikkelen beelddenkers vaak faalangst.
Het lukt een beelddenkend kind niet goed meer om onder stress zijn voorkeurs denken te hanteren. Hij wordt gedwongen door de stress zich op de details te richten. Met als resultaat dat een kind blokkeert , waardoor de faalangst ontstaat.

Een beelddenker communiceert anders

Een beelddenker voelt zich vaak onbegrepen omdat hij anders communiceert . Als een beelddenker een verhaal vertelt, bevindt hij zich in het beeld en als de taaldenker een verhaal vertelt, kijkt hij tegen een beeld.

Hoe vertelt een taaldenker zijn verhaal?

Als een taaldenker iets wil vertellen, stelt hij zich een plaatje voor van een situatie.
Hij kijkt tegen een beeld aan. Het beeld geeft hem steun om een verhaal netjes op volgorde te vertellen. Hij doorloop het denkproces stap voor stap. Netjes van het begin tot het eind.
Anders gezegd: Een taaldenker visualiseert een beeld waar hij tegenaan kijkt als geheugensteun om iets te vertellen. Hij bedenkt het plaatje bij zijn woorden.

Hoe vertelt een beelddenker zijn verhaal

De beelddenker bevindt zich in zijn beeld. Om zijn ruimtelijk beeld te kunnen verwoorden moet hij zichzelf buiten het beeld of gebeuren plaatsen. De beelddenker bekijkt het beeld en verwoordt dan wat hij `ziet’. Dat is niet een verhaal op tijd en volgorde, maar het is een chaotisch verhaal. Dit gebeurt omdat het denkproces door de associatiebeelden chaotisch verloopt. Niet netjes met een kop en een staart.
Anders gezegd: Een beelddenker staat in het beeld en zet zich dan buiten het beeld om de zaak te verwoorden. De beelden is de enige mogelijkheid om tot de juiste woorden te komen. Hij moet de woorden bij het plaatje zoeken. Dit kost tijd en veel concentratie.

Hoe geef je de juiste feedback?

Door op de juiste manier feedback te geven, ontwikkelt een kind zelfvertrouwen en leert een kind zijn sterke en zwakke kanten kennen. Dit is belangrijk om krachtiger in het leven te staan.
Met feedback reageren je op wat iemand gezegd of gedaan heeft.  De manier waarop feedback wordt gegeven is heel belangrijk voor dit proces om als kind sterker in de wereld te staan.

Feedback geven kan op vier manieren. Het kan zowel negatieve als positieve feedback zijn en taakgerichte danwel persoonsgerichte.

Taakgerichte feedback

Taakgerichte feedback is een reactie die alleen gericht is op de gedane taak. Een positieve reactie op een taak is bijvoorbeeld: Deze opdracht heb je goed gedaan.
Een negatieve reactie op een niet goed uitgevoerde taak kan zijn: Deze opdracht heb je niet zo goed gemaakt.

Persoonsgerichte feedback

Persoonsgerichte feedback is een reactie die gericht is op de persoon. Het is belangrijk dat persoonsgerichte feedback altijd positief is.
Bij positieve persoonsgerichte feedback laat je het kind in zijn waarde. Positieve persoonsgerichte feedback is bijvoorbeeld: Je bent altijd erg behulpzaam.
Negatieve reactie op de persoon kan bijvoorbeeld zijn: Wat ben je vervelend!
Nee… het kind is niet vervelend, zijn gedrag is vervelend. Dus benoem zijn gedrag.
Zeg bijvoorbeeld: Ik vind je gedrag vervelend!
Probeer negatieve persoonsgerichte feedback om te zetten van de persoon naar het benoemen van het gedrag.

Evenwicht in positieve en negatieve reacties zorgt voor zelfvertrouwen van beelddenkers

Het is belangrijk een goed evenwicht te vinden tussen positieve en negatieve reacties. Te veel negatieve reacties maken het kind onzeker met als gevolg de reactie: Ik doe toch nooit iets goed!.
Maar door te veel positieve reacties wordt het kind onbedoeld onder druk gezet. Hij zal denken dat hij geen fouten mag maken. Leer kinderen ook dat fouten maken mag en zelfs goed is!
Reageer in eerste instantie positief op een kind als hij iets zegt of heeft gedaan. Daarna kan er negatieve taakgerichte feedback volgen. Het is de bedoeling dat het kind iets leert van deze negatieve taakgerichte feedback.

Hoe herken je een beelddenker?

Bewaar dit bericht over het zelfvertrouwen van beelddenkers op pinterest

zelfvertrouwen beelddenkers

bron: beeldenbrein

Waar herken je een beelddenker aan?

Waar herken je een beelddenker aan?

Iedereen wordt geboren als beelddenker, een baby kent immers geen woorden.  Langzaam ontwikkelt het taaldenken zich en wordt het beelddenken kleiner.
Na het tiende jaar stopt dit proces. Er zijn mensen die dan een voorkeur blijven houden voor het beelddenken. Waar herken je een beelddenker aan?

Het lijkt wel of er steeds meer beelddenkers komen. In iedere klas zitten er wel een paar. Deze kinderen het vaak moeilijk op school. “Het zit er wel in maar het komt er niet uit” is een veel gehoorde uitspraak.
Niet elke beelddenker is gelijk, maar er zijn wel verschillende kenmerken te benoemen die jonge beelddenkers in de klas laten zien.
Hoewel beelddenkers een voorkeur hebben voor het in beelden denken, zijn ook beelddenkers die een goed gevoel voor taal hebben. Daarnaast zijn er ook die dat helemaal niet hebben. Vooral deze groep beelddenkers krijgt vaak lees- en/of spellingproblemen op school. Waar herken je een beelddenker aan

Algemene kenmerken beelddenkers.

  • Afwezige indruk
    Een beelddenker kan een trage, soms afwezige indruk maken, doordat ze een naar binnen gekeerd gedrag vertonen.
  • Werktempo
    Het werktempo van een beelddenkend kind is vaak lager dan gemiddeld, omdat hij steeds weer van taal naar beeld en andersom moet vertalen in zijn hoofd.  Het werktempo bij handelen en reageren zijn vaak weer wel hoog.
  • Zwakke concentratie
    Beelddenkers hebben een zwakke concentratie, omdat zij alle geluiden om hen heen willen ‘zien’.
  • Dromerig
    Beelddenkers dromen vaak weg in hun eigen verhaal/beeld. Het lijkt of zij niet opletten, maar het overkomt hen gewoon.
  • Regels
    Een beelddenker heeft moeite om zich aan regels te houden.
  • Zoeken naar woorden
    Je ziet vaak woordvindings moeilijkheden bij beelddenkers. Dit komt omdat ze het woord niet bij het beeld kunnen vinden. Daardoor vervallen ze vaak in het gebruik van woorden als:  je-weet-wel, dinges, of die/dat. Beelddenkers gebruiken vaak synoniemen voor het woord dat ze zoeken. Hoewel het dan niet helemaal klopt wat ze vertellen, kunnen andere mensen het wel begrijpen.
  • Woordenschat
    Een beelddenker wordt vaak niet begrepen door andere mensen. Dit komt door de woordenschat die beelddenkers gebruiken. Zij hebben hun eigen, vaak beperkte, woordenschat. Een beelddenker zal bijvoorbeeld over een boot praten en niet over een schip, over mama en niet over moeder. Beelddenkers gebruiken weinig `moeilijke` woorden. Dit wordt veroorzaakt door het vertalen van de beelden (ordening van tijd). Er zit geen begin en einde aan een verhaal.
  • Kinderlijk
    Een beelddenker komt vaak kinderlijk over. Ze zijn langer afhankelijk van hun ouders, omdat deze hen wegwijs moeten maken in de wereld buiten hun denkwereld.
  • Tijdbesef
    Beelddenkers hebben moeite met volgorde en tijd, omdat in hun hoofd altijd alles tegelijkertijd aanwezig is. Volgorde is daarbij niet van toepassing.
  • Links-rechts
    De beelddenker kan moeilijk de begrippen links en rechts onderscheiden.
  • Taalontwikkeling
    Beelddenkers hebben vaak een taalachterstand opgebouwd. Taal is voor hen niet het communicatiemiddel. Door gebaren, wijzen, voordoen of tekenen kunnen zij zich makkelijker uiten. Daar vloeit uit voort dat ze zwijgzaam kunnen zijn.
  • Weinig woorden
    Een beelddenker gebruikt vaak weinig woorden om iets te vertellen. In hun hoofd hebben ze alles al gezien en voor sommige woorden hebben kennen ze niet geen beeld, dus deze worden niet benoemd. Ze maken korte onvolledige zinnen. Sommige stukken van hun verhaal zullen ze weglaten, omdat ze denken het al verteld te hebben.
  • Gedachten verwoorden
    Het is voor een beelddenker lastig om zijn gedachten te verwoorden. De hoeveelheid informatie in hun hoofd is niet altijd even snel te vertalen in spreektaal. Antwoorden laten daardoor vaak langer op zich wachten en de kinderen komen stil en verlegen over.
  • Instructies opvolgen
    Beelddenkers hebben problemen met het opvolgen van instructies. Vaak heeft het kind geen beeld bij wat er van hem wordt verwacht en begrijpt hij het niet. Deze kinderen krijgen ook vaak te veel informatie in één keer, waarbij bij de verwerking in hun hoofd het idee ontstaat dat ze alles wat ze gezien hebben ook al gedaan hebben. Na één ding gedaan te hebben, menen ze met alles al klaar te zijn. Ook is het moeilijk alle informatie te ordenen en op volgorde van tijd uit te voeren.
  • Letterlijk nemen
    Beelddenkers nemen de informatie die hen verteld wordt of die ze lezen vaak letterlijk op. Ook al is de betekenis er van niet letterlijk. Ze zien dingen precies zo voor zich als ze verteld worden. Spreekwoorden, uitdrukkingen en overdrachtelijk taalgebruik zijn vaak een probleem voor hen!
  • Zwak in analyse
    Een beelddenker kan een probleem niet goed analyseren. Zij vinden het lastig om zaken voor zichzelf op een rijtje te zetten en/of structuur aan te brengen. Denk aan agenda invullen, huiswerk plannen.

bron Beeldenbrein