Help,  ik heb dyslexie en ik moet een werkstuk maken!

Help, ik heb dyslexie en ik moet een werkstuk maken!

Op iedere school moeten kinderen werkstukken maken. Soms wel twee werkstukken, een boekbespreking en een presentatie in een jaar. Best wel veel voor een kind met dyslexie, want dit betekent veel lezen en schrijven.

In mijn praktijk zie ik veel kinderen die enorm opzien tegen het maken van een werkstuk of boekbespreking. Natuurlijk zien ze al op tegen al het leeswerk, dat als eerste. Maar dyslectische kinderen zijn ook voor het merendeel beelddenkers. En die denken anders. Dyslectici hebben een sterke voorkeur voor het denken via zijn rechterhersenhelft. Dus via het maken van beelden, het leggen van verbanden en structuren, het hebben van allerlei associaties.

Van de rechterhersenhelft is bekend dat deze verantwoordelijk is voor o.a. onze verbeelding, de intuïtie, het onderbewustzijn en onze creativiteit. Maar ook voor het leggen van verbanden, het meerdere dingen tegelijk kunnen doen en het snel kunnen scannen en verwerken van informatie en van het omgaan met nieuwe situaties. Dat zijn hele andere eigenschappen dan die eigenschappen waarvoor de linkerhersenhelft verantwoordelijk is, namelijk het logisch redeneren, het analyseren van situaties, systematiek aanbrengen, het stap voor stap iets aanpakken en het aanbrengen van routine in dagelijkse vaardigheden. De linkerhersenhelft is ook verantwoordelijk voor de taal.

Laten we een mooi voorbeeld nemen van een meisje dat een werkstuk moet maken over, laten we zeggen, Anne Frank. Ze heeft heel veel met haar ouders gepraat over het onderwerp, boeken (met plaatjes) erover gelezen, is naar de theatervoorstelling geweest… Kortom, ze weet er heel veel van. Maar hoe begin je nu?  Beelddenkers zitten midden in het verhaal en stap voor stap iets aanpakken is heel lastig. En dan moet je het ook nog opschrijven.

Ik laat de kinderen altijd beginnen met het maken van een mindmap of een woordweb. Wat vind je belangrijk om het over te hebben, wat komt er in je op?

        En dan, waar begin je mee? Wat moet ik, als lezer, het eerste weten?

Wat ik eigenlijk alleen maar doe, als begeleider, is vragen stellen. Leg het mij maar uit, zodat ik het snap.  Als het antwoord gegeven is, gaan we (het kind, de begeleider, of samen) het direct opschrijven. Het liefst op de computer, met spellingcontrole. En natuurlijk met plaatjes.

Op deze manier wordt het maken van een werkstuk (bijna) een leuk werkje!

“Terror”peuter

“Terror”peuter

Ik weet niet of het jullie opgevallen is, maar ik kwam het de laatste tijd overal tegen: het verhaal van schrijfster Femke Sterken. In de tijdschriften, op de televisie..
En ik ben zo benieuwd wat jullie hier van vinden, van de strijd in de peuterpuberteit.

Voor degenen die het gemist hebben: schrijfster Femke Sterken heeft samen met Barbara van Erp het boek Dit is het boek voor ouders met een leven geschreven. Uitgebreid beschrijft ze alle dingen waar ze tegenaan loopt met een eigenwijze peuter, van het tot drie keer weggooien van zijn eten tot het terroriseren van andere kindjes. En gewoon NEE, NEE, NEE.

En wat vind ik ervan? Als ik het lees en aanhoor, kan ik niets anders doen dan het te beamen. Ja, het is zeer realistisch en herkenbaar. Mijn jongste, nu alweer 16, was ook zo’n peuter. Thuis wilde hij niets, niet eten, niet slapen, niet met grote broer spelen… En huilen, brullen, krijsen als het niet ging zoals hij dat wilde. Ook op de peuterspeelzaal staat 1 dag me nog heel duidelijk bij: de peuterjuf nam me bij het ophalen even apart en zei dat Aiden zo agressief was geweest naar de andere kindjes toe. Bijten, schoppen, slaan… Ik kon wel huilen…

Ook op de peuterspeelzaal horen en zien we het dagelijks. Peuters die totaal hun eigen gang willen gaan, hun grenzen enorm aan het opzoeken zijn. Maar er zijn ook peuters die zich op de speelzaal  naadloos aanpassen aan de regels die er zijn, en die thuis een enorme draak kunnen zijn.  Eigenlijk is het zo dat de peuter erom  vraagt: geef me duidelijke regels en grenzen, want dat heb ik nodig om te kunnen groeien. En dat is iets wat ik mijn collega’s ook vaak hoor verzuchten: het zijn peuters, geen baby’s meer, behandel ze ook zo. Leer ze regels en grenzen, hoe vermoeiend dat ook is.

Als schrijvende kom ik zelf nu tot de conclusie dat de peuterperiode toch echt wel een erg vermoeiende is, en dat ik de stukjes van Femke volledig onderschrijf.

Maar toch…  ik kan er niet onderuit dat mijn gevoel ook heel erg zegt: ze zijn ook zo ontzettend leuk en eigen, die peuters! Kan dit ook niet wat meer benadrukt worden???

(zeker als je kinderen ondertussen 16 en 23 zijn J)

Ps. Ben heel benieuwd naar jullie meningen!

Peuters: spelen is leren?

Afgelopen maandag zijn in Zuid-Holland de scholen en peuterspeelzalen weer begonnen. En dat betekent dat ik als zorgcoördinator van een aantal voorschoolpeuterspeelzalen ook weer ben gestart.
En dan zie je na zes weken vakantie de peuters weer binnenkomen.  En wat doen ze? Ze gaan direct aan het spelen!

Spelen

Bijzonder, maar het is wel wat peuters horen te doen, spelen. Spelen in de poppenhoek, in de bouwhoek, op het schoolplein, in de leeshoek.  Overal eigenlijk waar ze materiaal voorhanden hebben waarmee ze kunnen ontdekken.. En ontdekken doen ze door te spelen… En door te spelen leren ze…

Waar ik werk, op een voorschoolpeuterspeelzaal, wordt er gewerkt met een speciale speelleermethode waarbij aan alle ontwikkelingsgebieden aandacht wordt besteed. Speciale aandacht hebben we voor de taal en sinds dit jaar ook voor het rekenen.

Ik ben echt wel voor dit soort methodes, het is ook mijn werk tenslotte, en ik zie ook echt dat de resultaten positief zijn. Maar… ik ben wel van mening dat we niet alles moeten ophangen aan een methode.

Een peuter speelt, en hoort ook te spelen. Dit moet altijd het uitgangspunt zijn. Als juf (en ook als ouder) hebben we de taak om dit gegeven te gebruiken en hier op aan te sluiten.

Een mooi voorbeeld heb ik vandaag weer gezien. Een jongetje van 3 jaar zat aan tafel met een hele berg speelgoedolifanten. Er waren grote olifanten, middelgrote, en kleine olifanten. De jongen had de grote olifanten al op een rijtje staan, en een aantal van de kleine olifanten ook. Met de middelste olifanten had hij nog niets gedaan. Op mijn vraag wat hij aan het doen was, zei hij: “Dit zijn de grote olifanten, en dit zijn de kleine olifanten.” Op mijn vraag : “Maar wat zijn deze olifanten (de middelste) dan?”, keek hij een beetje verward. “Zijn ze even groot als deze? (de kleine olifanten) of deze (de grote olifanten)”? Vervolgens ging hij meten. “Nee”, niet even groot”.  Daarna ging ik het spel verbreden: “Ik denk dat er een papa olifant is, een mama olifant en een kindje olifant.” Direct pakte het jongetje de middelste olifanten en ging proberen waar deze in de rij pasten. In het midden!

“Ja!” “De mama olifant moet in het midden!” Geweldig, wat een ontdekking! En weer heel veel geleerd, want dit valt onder het ontwikkelingsgebied ontluikende gecijferdheid.

Wat ik hiermee wil zeggen, is dat als je als juf en als ouder een beetje aansluit bij wat je peuter aan het doen is met zijn spel, met hem in gesprek gaat hierover, dat je eigenlijk je peuter het beste “lesje” geeft dat er is. En het is zo leuk!

De beelddenker

Mijn eerste column, spannend! Maar vooral is het heel erg leuk om op deze manier met anderen te delen wat ik elke dag meemaak. In mijn werk op een voorschool, waar ik peuters, ouders en collega’s begeleid  in de (taal)ontwikkeling.  Maar ook in mijn eigen praktijk als begeleider en coach van kinderen en jongeren die in beelden denken.

De beelddenker dus.

Vandaag had ik een kennismakingsgesprek met een meisje van 11 jaar. Ze kwam niet voor dyslexie, zo zei ze direct, want lezen vond ze heel erg leuk en daar was ze ook heel goed in op school. Rekenen was een ander verhaal. Ze had al veel bijles gehad, maar dat hielp niet. Of ze snapte het helemaal niet, of ze snapte het op dat moment wel, maar daarna niet meer.  Ook bij het leren van de tafels lukte het haar wel om ze voor die ene week te leren, maar daarna was ze ze weer kwijt.

Dit hoor je vaak bij beelddenkende kinderen. Het betekent dat het beeld dat deze kinderen nodig hebben om het totale plaatje helder te hebben, er nog niet is. En is dat er niet, dan lukt het hen niet om de leerstof echt op te nemen.  Het totale plaatje helder krijgen, dat doe ik in mijn praktijk met klei. Met de klei gaan ze voelen, kijken, ruiken, ontdekken…  Totdat ze het totaalplaatje hebben. “Oh, nu snap ik het”, hoor ik ze vaak met een diepe zucht zeggen. En dan hoeft er niet meer herhaald of geoefend te worden. Want als het beeld er is, dan gaat dat nooit meer weg.

Mooie mensen zijn het, die beelddenkers. Unieke mensen, die we in de wereld hard nodig hebben. Want ze denken op een hele eigen wijze, en komen hiermee tot de meest briljante ideeën. Google maar eens op beroemde beelddenkers: Steve Jobs, Steven Spielberg , Thomas Edison,  Vincent van Gogh,  Albert Einstein, en zo kan ik nog wel even doorgaan. Niet de minste mensen dus.

Dus laat ik mijn eerste column afsluiten met de woorden: beelddenkers, koester ze