**//sticky ads code//**
Een soep van emoties

Een soep van emoties

We hebben ze als grote mensen. We hebben ze als kinderen. Zelfs als baby’s (ben ik van overtuigd): lastige emoties.

Eerst is het nog een soort soep. Naarmate je groter wordt, kun je in de soep de vermicelli zien drijven, kun je het een naam geven, en de prei, de wortel en later ook de laurier en zelfs de bouillonblokjes, die in het water zijn opgelost. De wereld wordt beetje bij beetje overzichtelijker en soms dondert hij ineens weer in elkaar. Dat was dan nodig, omdat leven dynamisch is (goddank).

Bij de driftbuien van een dreumes of na het hard stoten van een knie, leren kleine kinderen ook emoties kennen. Het is zo belangrijk, dat jij je kind de lastige emotie laat voelen, hoe onwerkelijk en vreselijk ze ook zijn. Ik ben ervan overtuigd, dat zelfvertrouwen precies dáar kan gaan bloeien.at ze leren te herkennen: ‘Ik ben boos, verdrietig’ en nog wat later ‘ik ben jaloers of wrevelig.’ Dat ze de keuze hebben het tegen hun ouders en later tegen hun baas en makelaar te zeggen, in gedachten als het uitspreken ervan hun geen steek verder brengt.
Mijn dochter heeft haar heftige buien weleens, als ze ’s middags wakker wordt. Dan roept ze recht in mijn blije gezicht, als ik haar rode wangen in haar roze kussen zie liggen, ‘Ga weg! ’Ga weg mama!’ Ik ben best trots op haar, als ik hoor dat ze me weg durft te jagen. Maar in mijn hoofd ben ik ook al bezig positie te kiezen, want ik weet dat dit vaak het startpunt is van een emotionele achtbaan. En er is niets dat je op dit soort momenten kan voorbereiden.

Je wilt het beste voor je kind, je wilt dat ze op je kan bouwen. Maar ook dat je ze je als mens ziet, iemand die het niet altijd ‘voor elkaar heeft’, die het antwoord al weet.

Doe dat maar ‘s, zonder generale! Ik laat me niet gelijk de kamer uitsturen, omdat ik wil laten zien dat ik er (voor haar) ben. Dus loop ik – haar bevel negerend – naar haar toe, ga op de rand van het bed zitten. ‘Hai schatje,’ zeg ik dan maar. Ze begint harder te huilen, te roepen en te wijzen naar het gat van de deur. Ik moet weg. Dus ga ik naar de gang. Dan begint ze zo mogelijk nog harder te huilen. Oh god. Denkt ze nu dat ik haar in de steek laat? ‘Ik ben op de gang, oké? Kom maar uit bed als je dat wilt.’ Ze jammert nu. Misschien heeft ze naar gedroomd? Uit een mengeling van liefde en angst maak ik toch haar deur maar weer open. ‘Lieverd, zal ik je vasthouden? Heb je naar gedroomd?’ ‘Neeeeeeeee, weeeeeeeeeeg!’ is haar antwoord op volumestand 10.
Nadat mijn dochter verbaal vermicelli van me heeft gemaakt, realiseer ik me dat er een storm aan emoties bij haar woedt. Een grote soep waarvan zij nog niet eens weet dat het een soep heet, laat staan dat ze weet waar de wortels drijven en hoe díe heten. Dus blijf ik op gepaste afstand in haar buurt, zodat ze weet dat ik onder handbereik ben.
Dan krijg ik het gevoel dat ik haar kan vasthouden, het echte kwaaie is eraf. Ik hou haar dunne lijfje vast. ‘Staaaaaaan’!!’ Ik moet gaan staan met haar, oké. Ik sta met haar in mijn armen en het duurt een paar minuten. Dan waait de storm over. We gaan verschonen op het verschoonkussen, daar stond ik toch al tegenaan. Life goes on. Zij weet het en ik weet het. Zelfs nu gaat het leven door. En later als ze groot is en er gebeurt iets dat haar een aardverschuiving aan gevoelens oplevert, herinnert ze het zich hopelijk. ‘Life goes on.’

Gewaxt hout en kruidenthee

Gewaxt hout en kruidenthee

Twee keer per week zitten mijn dochter en ik in de kring bij het kinderdagverblijf. Het is een verblijf als een huiskamer, daarom hebben we die plek gekozen. Het ruikt er naar hout dat eens in de zoveel tijd in de was wordt gezet door meelevende ouders, zoals ik. Een paar weekenden geleden, werden we uitgenodigd op een ‘klus-dag’. De zandbak kon nieuw zand gebruiken. En het hout mocht dus weer gewaxt. Blokken en speelgoed.

Toen we er woensdagochtend binnen hobbelden, rook ik dat gewaxte hout en iets van kruidenthee, het was er warm en binnen was er een herfsttafel.

De kinderen zitten op de kleinste soort rieten stoel die er te vinden is. Een moeder vertrekt lachend haar gezicht bij het vinden van haar houding op dit uur van de dag.

De juffen zingen het eerste liedje “Stralend stijgt de zon omhoog.” “Doe maar mee,” zeggen ze. Dat zinnetje in combinatie met mijn volkomen op haar gemak zijnde dochter, maken me ineens onrustig. Ze doet niet mee, ze gaapt zelfs. En als ik vervolgens rondkijk, zie ik ouders vertederd naar hun eigen kind zitten kijken, die zo lekker zit mee te doen (of is dat omdat ik alleen nog maar dáar op kan letten?). Ik voel de drang om mee te doen met de juffen, om elkaar aan te kijken en tegelijk voel ik door mijn dochter aangemoedigd de neiging om te observeren en niets te doen. Het is half negen, mensen.

Dan komt miesmuis, de muis (dus). Die gaat de kring rond om kinderen ‘dag’ te zeggen. Ik zit nog wat vast in de door mezelf gezette val.

Meedoen staat bij mij gelijk aan je geaccepteerd en veilig weten, extravert en vrolijk zijn, je ergens overheen zetten want als je met een verkeerd been uit je bed bent gestapt, heeft niemand daar wat aan. Het wordt me pijnlijk duidelijk, dat deze houding mijn houvast is in sociale situaties. En mijn dochter weerspiegelt mijn drang om te zijn wie ik ben; onuitgeslapen, introvert als ik dat graag wil, dromer, denker en zwijger misschien ook wel.

Ik pep mezelf intern op. “Iedereen is anders en daarmee houden wel elkaar in evenwicht in de groep, in de gemeenschap en in de wereld,” denk ik.

Het liedje loopt op z’n einde en het is gelukt om Isa níet aan te sporen om mee te doen. En daarbij heb ik mezelf het moment gegund om introvert te zitten zijn. Vandaar ook dat ik jullie hier kan vertellen over die typische geur van gewaxt hout en iets van kruidenthee. Dat soort dingen pik je mee, als je soms droomt, denkt en zwijgt.

Ik wil nú opa Rob zien

Ik wil nú opa Rob zien

We zitten samen op de bank en in een vlaag van verlangen, zegt mijn dochter heel stelling, wat ik iedere dag dat ik opsta en naar bed ga, voel. Het is een verzoek, dat ik gelijk zou willen inwilligen, dubbel verlangen is een sterke motivator.

Wij willen hem zíen. Onze ogen de kost geven. In het dagelijks leven heb je geen idee hoe erg je dat gaat missen, als de kans er níet meer is. Mijn vader overleed snel. Drie maanden had hij, hadden wij. Hoe mijn dochter, die hem in de eerste jaren van haar leven intensief had leren kennen op dit plotselinge einde zou reageren, wist ik niet. En omdat ik dochter ben maar ook moeder, was dit een bron van nieuwsgierigheid en ook wel van zorg. Hoe eng zou zij het vinden, als ik het in mijn eigen wereld al niet meer kon rijmen? Mijn vader te zien sterven. Het proces door te zien gaan, van afscheid nemen van iedere functie van zijn lichaam. Van ons?

Toen opa Rob, mijn vader Rob in een hospice lag, met de best menselijke zorg die je je maar kunt wensen, kon ik Isa meenemen.

Er was een huiskamer met een piano en koffie en met borreltijd een glas wijn. We mochten altijd en op onze tijd bij hem langs in zijn kamer. Naast zijn bed foto’s van die keer in de dierentuin, in het treintje. De tekening, een paar drukke strepen rood en rond geel, aan de andere kant naast zijn bed. Tegenover hem een vaas met bloemen. Steeds nieuwe. Hij nam afscheid, het leven buiten zijn bed ging onverminderd door.

Toen mijn vader nog kon praten, vlak voor zijn biopt, kreeg hij het ineens voor elkaar een volzin te zeggen: ‘Hoe zou het zijn als Isa hier zou rondrennen? Schítterend!!’ Hij stelde de vraag en gaf zelf het antwoord. Typisch mijn vader.

Nu hij hier sliep, omringt door zijn naasten op foto en in het echt, zonder slangen, zonder zeurende monitors, zonder alle instrumenten die vochten om hem het leven te gunnen dat hij niet leek te kunnen grijpen, durfde ik haar mee te nemen. ‘Kinderen kunnen heel goed hun grenzen aangeven,’ vertelde de verpleegkundige mij, toen ze zag dat ik twijfelde.

Met grote ogen keek ze de kamer rond. Dat hij niet écht weg zou gaan – zijn liefde deed de kamer bijna uit haar voegen barsten – moet mijn dochter ook gevoeld hebben. Want was zij anders niet in paniek geweest? Hij was er niet, maar hij was er nooit zo duidelijk geweest als nu. Zijn ongekende kwaliteit om warmte en liefde in overvloed te geven, was er. Gewoon naast hem zijn, gaf een vervulling, zo zeldzaam dat je er stil van werd.

‘Ik wil zijn arm aanraken,’ zei Isa.
Samen raakten we zijn arm aan. Vader, dochter, kleindochter. Op zijn arm onze handen. Schítterend, voel ik hem denken.

 

Kijk maar

Kijk maar

De vier jaargetijden hebben ook al hun eigen kijkboek, wist je dat? En ik kan je vertellen, dat het kijken naar met precieze pen getekende platen, meditatief lekker is. Samen met je kind ademen en alleen dát horen. Kleuren en vormen die moeiteloos een verhaal worden, waar je niet gelijk wat over hoeft te zeggen. Liever niet zelfs.
Zo zat ik op een avond naast mijn dochter, in haar pas gekochte meegroeibed. Ik zag hoe ze iedere avond naast haar met bos, kersen en vogels behangen muur lag. Hoe ze met vermoeide ogen naar een door vrienden geschilderde geboorteboom zou kijken, in de baan van licht die de kier van de deur door zou laten.

Deze keer was het seizoen ‘De Herfst’ aan de beurt. Achterop het boek staan altijd mensen of honden en katten, soms een raaf, om het kijken tot een nóg grotere uitdaging te maken. Die kun je dan zoeken in het kijkboek. Mijn dochter en ik hadden dit kijkboek al ettelijke malen bekeken en sinds een paar keer hadden we haar lievelingsfiguur, Gabrielle met de kastanjekar, gezocht én gevonden. Op de laatste kartonnen bladzijde stond zij daar, in het park.
Herhaling is een fijn ding, dus mijn dochter wees weer naar Gabrielle, toen ik vroeg wie we zouden zoeken. Alsof mijn neus bloedde, begonnen we vooraan. Op bladzijde 1 en 2. Ik vroeg me tijdens het stille kijken en wijzen op een verdwaald musje of gevallen blaadje af, of mijn dochter ook een ongeduldig gevoel zou voelen opkomen. Maar nee. We vervolgden onze kijkactie naar weer een paar grote platen op pagina 3 en 4. En toen maakte mijn ietwat filosofische geest een sprongetje. Ook al wist mijn dochter dondersgoed van het bestaan van Gabrielle aan het einde van het boek, ze zocht in overtuiging naar haar op iedere nieuwe bladzijde. En hoewel het vinden van een figuur uit het boek ongetwijfeld een toename van ons gelukshormoon veroorzaakt, voor haar was het zoeken naar een figuur als Gabrielle een activiteit op zich.
Het betekent namelijk het zien van nieuwe dingen. Waar Gabrielle niet is, staat wel een vuilniswagen en wie is die man met die pet en wat doet hij daar? Hoe het in een kinderbrein werkt, weet niemand. Maar ik haalde er de les uit, dat mijn en vast ook andermans sprint naar een goed artikel, veel waardering of een nagejaagd compliment ook konden verlammen. Dat je ook de keuze kunt maken, dat niet te doen. En je blik opnieuw open te stellen voor alles dat je onderweg wordt aangereikt.
Hé, een vrouw met een reuze pompoen op weg naar de lampionnenoptocht!

Niet nu mama!

Niet nu mama!

‘We gaan nu echt even je luier verschonen,’ zeg ik na minstens tien signalen te hebben afgegeven.
Signalen die het Barbapapa-keurmerk dragen, als dat zou bestaan. Je kent ze wel, als moeder van een peuter van drie. Praat in een korte zin. Wees direct. Zet aan tot actie.

Ik ben niet zo van de opvoedtrucs. Ik denk gewoon dat we het allemaal al in ons hebben. Dat het moeilijke moment ons laat klinken zoals we ons voelen en wat is er prettiger dan transparantie?

Ik kijk in mijn dochters donkerbruine ogen, op zoek naar houvast. Een teken van welwillendheid. Ik zie alleen haar diepe, wijze blik die me met de rust van een Boeddha aankijkt.

‘We gaan nu echt. Echt. Je luier. Verschonen.’
Het klinkt alsof ik het meen. Dat mijn dochter me zo jong als ze is best heeft verstaan, blijkt uit haar antwoord: ‘Niet nu mama.’

Madam is bezig. En ze heeft de leeftijd dat alles geoorloofd lijkt, totdat er in haar onbegrensde wereld een grens opdoemt. Ik schakel onvrijwillig over naar ‘primair’. Het gaat zo snel dat ik geen tijd krijg me voor te bereiden op wat er daarna gebeurt.
Mijn buik neemt het over en woedend brul ik ‘Dit is de bloody. Limit!’

Barbapapa is voorgoed met vakantie. Mijn dochter  ligt zo stil als een aal op het kleed, het emotioneert me omdat ik haar willoos lijk te hebben gemaakt.

Heb ik hier goed aan gedaan? Dat ik als een wilde mijn woede bezit van me liet nemen. Is dat niet wat we vaak leren, wij vrouwen? Wij moeders? Dat woede geen goeie emotie is? Dat we er goed aan doen niet boos te worden. Of is het iets dat ik als beeld met me meedraag en dat aan herziening toe is. Ik hoop dat ik haar niet op afstand heb gezet.

Het tegenovergestelde blijkt waar. Door mijn boosheid, ziet mijn dochter me echt.

‘Ik wil dat jij nog een keer boos wordt, mama’ zegt ze met stoute ogen tot spleetjes een paar dagen later, als ze weer eens mijn grens aan het verkennen is.

Mijn oprechte woede heeft haar laten zien dat boos zijn hoort bij het leven en een grens geen vies woord is, maar aangeeft wat een ander wel en niet wil. En omdat ik een paar dagen eerder mijn eigen woede beter leerde kennen, lijkt het nu makkelijker. Toegankelijker. Ik kan eerder dan pas bij de tiende keer mijn ware gevoel laten zien aan mijn dochter, bij beginnende ergernis al. Zo kom ik samen met haar tot iets nieuws. Zij verkent haar grenzen en door haar leer ik de mijne verkennen. De lijn van eindeloze liefde waar ouders en kinderen uit mogen putten , geeft mij het zetje.

Jitske van Oosterom

Jitske van Oosterom

Jitske van Oosterom is moeder, dochter, schrijver, geliefde, magisch denker en zoeker.
Alle rollen komen samen als ze schrijft en geven haar een schat aan ervaringen, belevenissen, perikelen, diepgaande lessen en meer.

Sinds de geboorte van haar eerste is Jitske ook begonnen professioneel te schrijven via Yellow Inc. Ze schrijft (online) teksten, zoals columns, blogs en webteksten, die een bedrijf of organisatie karakter (terug)geven. Die een lezer dichterbij brengen.
Daarnaast schrijft ze over mijn eigen leven. Like haar facebookpagina als je wilt worden voorzien van nieuwe columns, gedichten en korte verhalen.”