**//sticky ads code//**
Uit mijn comfort zone

Uit mijn comfort zone

Op zondag, de dag voor de 1ste opleidingsdag tot gecertificeerd coach van de ‘Ik leer anders’ methode, slaat in één keer de onzekerheid toe. Ik ben bang dat ik de leerstof niet aan kan. Ik heb geen pedagogische achtergrond en ben bang dat ik een vreemde eend in de bijt zal zijn tussen allemaal leerkrachten en kindercoaches. Ik ben bang dat ik achter mijn rug om wordt uitgelachen: haha, een moeder die gecertificeerd coach wil worden. Ook kan ik me geen beeld vormen van de plek en de situatie waar ik morgen in zal verkeren. Ik moet opeens uit mijn comfort zone en dat is voor mij heel lastig. Maar waar ik me op dit moment de meeste zorgen om maak is om de weg te vinden naar de locatie in Monster. Ik heb totaal geen richtingsgevoel en wanneer ik éénmaal verkeerd ben afgeslagen, ben ik écht letterlijk totaal de weg kwijt.

Ik probeer mijn zenuwen te verbergen voor man en kind, maar dat lukt niet. Wanneer ik mijn onzekerheden probeer te duiden gaat de mond van Tijs open.

‘Ben jij ook wel eens zenuwachtig?’ vraagt hij verbaasd.

Er gaat een nieuwe wereld voor hem open. En dat is ook direct mijn valkuil. Wanneer ik me onzeker voel krijg ik een air over me dat niemand mij kan raken. Van buiten een vrouw die weet wat ze wil en wie ze is, maar van binnen zo week als wat. Mijn kind moest eens weten dat ik met lood in de schoenen naar school ben geweest om vol passie en zelfvertrouwen te verkondigen dat mijn kind wel eens beelddenker kon zijn. De vele gesprekjes die hierop volgden en proberen om tot oplossingen te komen. Eenmaal weer thuis was al mijn energie verdwenen en stond het zweet op mijn rug.

Mijn man stelt voor om de route naar Monster te gaan rijden, zodat ik in ieder geval die stress morgen niet meer heb. Maar dat wil ik niet, hoe graag ik wil toestemmen in zijn plan. Ik wil man en kind niet opzadelen met mijn onzekerheden. Ik ben te lang, lekker veilig, in mijn comfort zone blijven zitten. Het is nu tijd om hier zelf mee te dealen.

Ze zijn geduldiger en liever voor me dan anders. Ook Tijs komt vaker knuffelen. Zuchtend kom ik de zondag door met een steeds grotere steen in mijn maag.

Voordat Tijs naar bed gaat komt hij nog even lekker bij me zitten.

‘Weet je, mam. Ik weet zeker dat je het morgen heel erg leuk gaat vinden. En ik ben trots op je. Dat zeg je ook vaak tegen mij.’

Tranen schieten in mijn ogen. Op zo’n dag zitten mijn emoties torenhoog. Ik geef hem een dikke knuffel.

‘Als ik er maar éénmaal ben en de mensen gezien heb, dus een beeld heb dan weet ik zeker dat ik het hartstikke leuk en interessant vind.’

Tijs knikt: ‘Dat heb ik ook mam! Komt dat omdat we beelddenkers zijn?’

Ik denk even na en knik dan. Ik denk wel dat wij ons zekerder voelen als we duidelijke beelden hebben bij iets wat we gaan doen. Geen spannende surprise uitjes of feestjes voor mij. Ik wil weten waar ik aan toe ben, zodat ik beelden kan vormen in mijn hoofd.

’s Avonds op bed moet ik opeens denken aan de vroedvrouw die mij begeleidde bij de geboorte van Tijs. Terwijl ik mij op hoge golven van pijn bevond, riep ze vrolijk: ‘Puf maar op de zin ‘deze dag gaat ooit voorbij’. Een paar uur lang werd dit mijn mantra. En inderdaad die dag ging ooit voorbij, zoals ook morgen uiteindelijk voorbij zal zijn. Een troostende gedachte die mij wonderwel in slaap wiegt.

 

Wennen in een nieuwe klas

Wennen in een nieuwe klas

In de eerste schoolweek van groep 7 loop ik twee keer mee naar school. Ik wil kennismaken met beide juffen die Tijs dit jaar onder hun hoede krijgen.

Juf A. werkt de meeste dagen. Ze laat weten dat ze op de hoogte is dat Tijs anders leert en stelt meteen voor om over een paar weken bij elkaar te gaan zitten omdat ze meer wil weten en open staat voor tips over beelddenken. Bij juf A. heb ik direct een prettig gevoel en weet instinctief dat ze de leerstof bij Tijs op de juiste manier zal proberen aan te reiken.

Juf B. is ouder dan Juf A. en heeft al vele jaren ervaring voor de klas. Ze weet precies hoe ze met kinderen zoals Tijs en met bepaalde (lastige) situaties om moet gaan. Het komt helemaal goed met Tijs probeert ze al mijn zorgen weg te wuiven. Op dat moment, bij de deur, begint er direct iets te ‘zeuren’ in mijn onderbuik. Ik voel dat juf B. minder open staat voor een betrokken ouder die haar wat tips kan geven en kan uitleggen hoe haar visueel ingesteld kind de lesstof het beste aangereikt kan krijgen. Haar lichaamshouding en een muurtje van gepaste afstand is mij niet ontgaan.

Ik ben benieuwd hoe mijn hoog sensitieve kind de twee juffen ervaart en of hij een voorkeur heeft voor één van de juffen.

Tijs moet erg wennen aan de volle klas, maar gelukkig hoeft er niemand op het dak te zitten.

Ik merk dat hij moeier is dan anders. Een aantal kinderen zijn hun grenzen aan het verkennen én bij de nieuwe juffen én bij de kinderen, want sommige haantjes moeten natuurlijk wel de haantjes blijven. Dit leidt tot best veel onrust en ruzie in de groep. Waardoor de stemmen van de juffen regelmatig worden verheft. Tijs baalt hier onwijs van, gaat ruzie en herrie zo veel mogelijk uit de weg.

Het valt me al snel op dat Tijs met meer verhalen en vrolijker thuis komt op de dagen dat juf A. les geeft. Vaak verpakt ze lesstof in leuke spelletjes. Juf B. is strenger en serieuzer.

Ik leg Tijs uit dat de ene juf niet beter les geeft dan de ander. Dat de ene juf niet aardiger is dan de ander. Ik probeer mijn kind duidelijk te maken dat elk persoon anders denkt en reageert. En dat hij, als hoog sensitief persoon, altijd een duidelijk gevoel zal hebben bij degene die voor hem staat. Bij de één zal hij zich direct veilig en prettig voelen en bij de ander zal dit minder het geval zijn. Daar moet hij mee proberen om te gaan.

Een moeilijk gesprek, want mijn kind wil gewoon een leuke, gezellige en prettige tijd op school.

Mijn gevoel van onrust (een klas van 20 kinderen naar 29 kinderen) is nog steeds aanwezig. Groep 7 schijnt het moeilijkste jaar te zijn. Vooral met rekenen heeft mijn kind nog best het één en ander in te halen. Nu de Intern Begeleider die Tijs al jaren begeleidt bijna met pensioen gaat vraag ik ook maar weer eens een gesprekje aan hoe school de extra lessen één op één rekenen gaat voortzetten. Ik wil weten wat de plan van aanpak is.

En dan, na een open gesprek op school, besef ik dat ik Tijs thuis ook nog heel erg zal moeten begeleiden met rekenen. Toeval of niet? Ik ga bijna de twee daagse opleiding volgen voor gecertificeerd coach voor de ‘Ik leer anders’ methode. Ik zal alles op alles zetten om het geleerde op mijn kind over te brengen. Ik weet dat hij het kan, maar hij moet alleen de juiste tools aangereikt krijgen, die ik hem hopelijk kan geven. Diep in mijn hart hoop ik andere visueel ingestelde kinderen ook te kunnen helpen. Een nieuwe uitdaging voor ons beiden, waar ik in ieder geval veel zin in heb. Maar of mijn beelddenkertje mijn enthousiasme deelt?

 

Volle klassen

Volle klassen

Groep zes loopt ten einde en zoals elk jaar is Tijs erg benieuwd wie zijn nieuwe meester of juf zal worden. Hij hoopt dat meester mee gaat naar groep zeven. Tja.. dat zou mooi zijn!

Dan eind juni komt de brief met de klassenindeling voor het nieuwe schooljaar in de mailbox binnen. Terwijl ik me buiten in de stoel nestel en geniet van de zon open ik het document. Het duur even voordat ik begrijp wat er staat en dan dringt de inhoud van de brief tot me door.

De warmte van de zon voel ik niet meer. Ik heb zo even een koude douche gekregen. Het enige dat ik voel is boosheid, frustratie en schrik.

Ik weet nu écht even niet wat ik met dit nieuws aan moet en begin van pure ellende te huilen. Nu de tranen eenmaal stromen zijn ze niet meer te stoppen. Veel emoties van de afgelopen jaren komen er nu in één keer uit: De zorgen die ik heb gehad toen Tijs niet kon mee komen in groep 3 en 4, de uitslag van de WISC III test waar de vele talenten van mijn kind, zoals creativiteit, niet getoetst werd. Het zorgtraject waar we in kwamen en alle energie die ik gestopt heb om mijn kind te helpen met de ‘Ik leer anders methode’ zodat hij door een andere manier van benaderen wel kan meekomen op het basisonderwijs. School heeft altijd meegedacht en meegewerkt. Tot dit moment, zo voelt het tenminste voor mij. Ik ben blij dat Tijs op dit moment bij een vriendje aan het spelen is en geen getuige is van mijn emotiebom.
Ik lees de brief nog een keer. In de hoop dat ik de brief verkeerd geïnterpreteerd heb.

Volle klassen

Of het de gewoonste zaak van de wereld is wordt meegedeeld dat in verband met de bezuinigingen en personele wijzigingen de klas van Tijs samen gaat met een gedeelte van een andere klas. Groep zeven zal vanaf het nieuwe schooljaar niet uit 20 kinderen maar uit 29 (bijna) pubers bestaan. Onbegrijpelijk: Groep zeven is een heel pittig en zwaar jaar, de kinderen zijn al zo gewend aan elkaar en aan de samenstelling van de groep en dan gaan ze deze groepen maar om husselen?

Tijs zal van twee juffen les krijgen. Geen ideale situatie omdat de communicatie dan weer via twee leerkrachten loopt. En ik heb, helaas, geen flauw idee wie deze twee juffen zijn.

Als klap op de vuurpijl wordt nog even vermeld dat de intern begeleider, die Tijs al vier jaar begeleidt en waar ik een paar keer per jaar mee om de tafel zit om de voortgang van Tijs te bespreken, in oktober met pensioen zal gaan. De Intern begeleider bovenbouw en een juf zullen de taken (naast hun dagelijkse werkzaamheden) overnemen.

Maar… we hoeven ons nergens zorgen om te maken, want er zal extra hulp komen van stagiaires van de Pabo.

Ik app een aantal moeders met de vraag of ze de brief al gelezen hebben. Ik ben niet de enige ouder die furieus is. We zijn in shock omdat de klas met negen kinderen uitgebreid wordt, terwijl de ‘oude’ groep ook al vaak best druk kon zijn. Terwijl ik bang ben dat Tijs gaat verzuipen in een groep van 29 en nog sneller overprikkelt raakt wat zijn concentratie niet ten goede zal komen, maken andere ouders zich zorgen of hun kind dat geen extra aandacht nodig heeft wel gezien blijft worden in een groep met toch wel een paar handenbindertjes.

‘Ach joh, die Pabo studenten kunnen daar toch wel mee omgaan?’ appt een moeder cynisch.
We besluiten om, individueel, onze onvrede en vragen via de mail te uiten naar de directrice van school.

Inmiddels is Tijs thuis gekomen.

‘Ik heb de klassenindeling voor het nieuwe schooljaar,’ zeg ik zo neutraal mogelijk.
Tijs komt met zijn rode konen naast me zitten.
‘Krijg ik meester weer?’ vraagt hij benieuwd. Ik schud mijn hoofd en noem de namen van de twee juffen. Hij is duidelijk teleurgesteld.

‘En er is nog iets,’ zeg ik voorzichtig, ‘Omdat er een paar juffen weggaan en er minder kinderen op school komen worden sommige groepen samengevoegd. Je krijgt negen kinderen uit de andere groep zes in de klas.’

‘Je maakt een grapje, toch?’ zegt mijn kind.
Ik schud mijn hoofd en laat hem de lijst zien met alle namen.  Twee keer telt hij de lijst en komt ook steeds uit op 29 kinderen. Een paar zijn wel leuk, maar een aantal luisteren nooit.

Ik merk dat Tijs van slag is. Veranderingen vindt hij erg lastig en moet daar erg aan wennen.

Na een week hebben we een informatie avond op school. Het wordt een emotionele avond. Er kan, zoals we ook al hadden verwacht, niets gedaan worden aan de groepsgrootte. Onze zorgen zijn onterecht, wordt steeds gezegd en daardoor worden de ouders, in mijn ogen, niet geheel serieus genomen. In plaats van de stagiaires zal er een bekwame onderwijsassistente fulltime aanwezig zijn. Dat hebben we in ieder geval wel bereikt!

Mijn zorgen zijn na deze avond niet weggenomen. Ik neem me voor om elke hobbel die we het komende schooljaar gaan tegenkomen stap voor stap te nemen. Ik wil de zomervakantie niet laten verpesten door hierover te blijven piekeren en probeer mijn zorgen los te laten. Dit doe ik ook voor Tijs, die mij altijd haarscherp aanvoelt. Dat het Tijs toch ook wel bezighoudt merk ik in één van de laatste weken van de schoolvakantie.

‘Mam, denk je dat ze alle kinderen wel in één klas kunnen krijgen?’

De vraag overvalt me en ik weet ook dat ie niet zomaar uit de lucht komt vallen.
‘Ik droomde namelijk dat er steeds negen kinderen op het dak van school les kregen, omdat niet iedereen in de klas kon. En ik moest op het dak toen het keihard regende.’

‘Vertrouw maar op school, jongen! Ze weten echt wel wat ze doen en iedereen zal zijn eigen plekje in de klas weer snel vinden.’

Mijn vertrouwen in school heeft door de brief een behoorlijke deuk opgelopen. Wanneer ik het verstandelijk beredeneer weet ik dat het wel weer goed zal komen. De leerkrachten hebben het beste voor met elk kind en school staat open voor beelddenkers en voor mijn hulp. Maar gevoelsmatig ben ik nog niet zo ver. De koude douche is té hard aangekomen.

 

Beelddenken en een ezelsbruggetje

Beelddenken en een ezelsbruggetje

Onder het eten nemen we de dag door. ‘En, hoe was jouw dag?’ vraagt mijn man aan mij.

‘Pfff. Ik ben zo druk geweest. Heb het huis schoongemaakt, de trap leeggehaald waardoor ik tien keer naar boven moest, heb boodschappen gedaan en ben naar het dorp geweest. Volgens mij heb ik kilometers gelopen vandaag.’

De vork van Tijs blijft steken boven een aardappel.
‘Ken je die oude oma die in een grote zwarte auto stapt?’ vraagt hij.
Mijn man en ik kijken elkaar verbaasd aan.
‘Nee’, zeggen we allebei verbaasd.
‘Woont ze hier in de wijk? Ken je haar van televisie? Komt ze voor in de vlog van Enzo Knol?’
En op elke vraag schudt Tijs zijn hoofd.
‘Nee! Van school!’

Ik zie een oude vrouw met grijs gepermanent haar in een bloemetjesjurk uit een zwarte limousine stappen.
‘Huh? Van school? Wanneer komt ze dan op school? Geeft ze les dan?’

Tijs raakt geïrriteerd omdat we hem niet meteen begrijpen. Hij heeft al geen zin meer om het verhaal uit te leggen. Hij voelt zich dan onbegrepen terwijl het voor hem zo duidelijk is wat hij vertelt. Wij kunnen alleen niet in zijn hoofd kijken en zien dus ook niet alle beelden die er doorheen razen.  Maar zo makkelijk komt hij er niet vanaf bij ons. In de regel zegt ons kind niet zomaar iets. We willen hem leren dat, als zijn verhaal niet meteen duidelijk is, hij het op een andere manier probeert duidelijk te maken.

‘Hoe ziet die oude mevrouw er dan uit?’ vraag ik.
‘Grijs haar en een hoedje op. Ze heeft een bloemetjesjurk aan en een vestje met gouden knopen. O ja, en ze heeft blauwe ogen, een brilletje en een wrat op haar neus.’

‘Wat doet ze dan op school?’

In die auto stappen natuurlijk. En, o ja, een meneer rijdt in die auto.’ Aan de toon hoor ik dat Tijs het nu echt zat is dat we hem niet begrijpen.

‘Heeft de meester weer een leuk boek voorgelezen dan?’ vraag ik, want de omschrijving van de oude vrouw doet me erg veel denken aan juffrouw Pots van Tosca Menten.

En dan herinnert Tijs het zich weer. Het is een ezelsbruggetje voor kilometers en zo. Nu zijn mijn man en ik helemaal de weg kwijt.
‘Als je aan dat oude vrouwtje denkt dat in die auto stapt, dan kun je beter onthouden hoe de volgorde is van kilometers en centimeters.’

Mijn man pakt direct zijn tablet en googelt op ‘oude vrouw’ en ‘auto’. Uiteraard krijgen we geen hit. Wel krijgen we na lang zoeken de zin: Kan Het Dametje Met De Centimeter Meten?

Het ezelsbruggetje

‘Maar zo’n soort zin is het wel’, roept Tijs enthousiast, blij dat we iets dichter bij de kern van het verhaal beland zijn.

‘Zoek eens op ‘dametje’ en ‘auto’? Weer niets. ‘En op ‘dametje’ en ‘chauffeur?’ roep ik in een opwelling.

En dan komt de volgende zin tevoorschijn: Kan Het Dametje Met De Chauffeur Mee?
‘Ja’, roept Tijs blij. ‘Die zin bedoel ik.’

Mijn man en ik kijken elkaar aan en barsten in lachen uit. Wat een bak. Net zoals ik binnen een paar seconden allemaal beelden voor me zag van een omaatje met grijs haar die in een chique zwarte auto stapt, zo zag Tijs ook zo’n soort beeld voor zich: Een ezelsbruggetje dat een eigen leven is gaan leiden en niets meer te maken heeft met de volgorde van Kilometers, Hectometers, Decameters etc.

Wanneer we uitleggen dat elke eerste letter de volgorde is van de lengtemaat, begint het te dagen bij ons beelddenkertje.

‘Ik snapte al niet waar het op sloeg. Maar nu wel.’ Zegt ie opgelucht.
Ik geef mijn zoon een dikke klapzoen. Wat houd ik toch van dat kind met zijn razendsnelle gedachten.
‘Maar, hoe kwam je nou eigenlijk op dat vrouwtje in die auto?’ vraag ik toch wel nieuwsgierig.
En dan weet Tijs het weer.
‘Komt door jou, mama.’ Tuurlijk, het ligt altijd aan mij.
‘Jij begon over al die kilometers die je vandaag gelopen hebt.’

 

Surprise stress

Surprise stress

‘Joepie, we gaan vandaag lootjes trekken’, is het eerste wat uit de slaperige mond komt van Tijs als ik hem wakker maak. Zijn ogen glinsteren. Al dagen is dit het onderwerp waar hij niet over uitgesproken raakt. Hij is zo benieuwd welk lootje hij in zijn handen krijgt en wat hij gaat maken. Voor elk kindje uit zijn klas weet hij precies wat de hobby’s zijn, wat hun favoriete eten is en welk vak op school ze leuk vinden. In gedachten heeft Tijs in vier dagen tijd 23 surprises gemaakt. De één nog mooier en grootser dan de ander. Zijn hoofd is er vol van!

Teleurgesteld

Zo opgewonden en blij als mijn kind naar school gaat, zo teleurgesteld staat hij ’s middags voor de deur.
‘Ik heb de juf getrokken’, zegt hij direct. En daar had hij vier dagen lang geen rekening mee gehouden.
‘Ik weet echt niet wat ik voor de juf moet maken hoor. En weet je wat ze graag wil hebben: PENNEN! Leuk hoor!’

Ik heb best een beetje medelijden met mijn beelddenkertje. Het is namelijk niet de eerste keer dat iets tegen valt omdat alle beelden en plaatjes in zijn hoofd zo mooi en schitterend zijn dat de werkelijkheid tegenvalt. Een kuil waar hij best eens in valt.

‘Voor de juf bedenken we écht wel iets leuks. Laat het lijstje eens zien?’
De juf houdt van reizen, koken en aardrijkskunde.
‘We kunnen een wereldbol maken of een kookpan.’
Tijs kijkt me aan of ik gek ben en staat duidelijk nog niet open voor deze onverwachte wending.

Hij heeft lang nodig om de knop om te zetten en de dag dat de surprises op school  moeten liggen komt steeds dichterbij. Voorlopig ligt er nog steeds geen plan van aanpak op tafel. Laat staan in zijn hoofd!

Acceptatie

Ik kom regelmatig met ideeën aanzetten die meteen afgekeurd worden door meneertje. Dan ben ik het zat. De tijd begint te dringen en daar word ik zenuwachtig van. Ik spreek Tijs streng toe.  Leg hem uit dat het is zoals het is en dat hij moet accepteren dat het leven niet altijd hetzelfde is als hoe hij het in zijn hoofd bedacht heeft.In een opwelling, zeg ik dat hij alle surprises die in zijn hoofd zitten moet uit gummen zodat er plek is voor de nieuwe, gave surprise voor de juf.

Het blijkt te werken.

‘Zullen we dan maar een dagboek maken voor de juf, mam?’ vraagt Tijs nadat hij een half uur lang op de bank gehangen heeft. Eén van mijn afgekeurde ideeën was om uit een oud boek de middelste bladzijden weg te snijden en daar de pennen in te stoppen. De pagina’s die over bleven zouden we vol kunnen plakken met foto’s van exotische bestemmingen en lekkere recepten uit de Allerhande. Niet echt een wereld idee, maar knutselen is niet mijn ding.

Aan de slag

De volgende dag gaan we aan de slag en Tijs stelt zijn beelden bij. Hij komt met goede initiatieven en al plakkend, knippend en snijdend begint de surprise vorm te krijgen. We halen nog wat stickers en dik papier om de voorkant van het dagboek op te leuken. Als laatste knippen we letters uit fel geel papier die de woorden vormen: dagboek voor juf Joyce.  Wanneer het helemaal af is merk ik gelukkig dat Tijs best trots is op het eindresultaat. We maken nog een mooi gedicht en mijn kind is helemaal klaar voor de grote dag. Op de dag dat de surprises mee genomen moeten worden maakt Tijs zich toch wel weer zenuwachtig. Is zijn surprise wel mooi genoeg? Hoe zullen de kinderen op zijn knutselwerk reageren?

Ik besluit om mee te gaan naar school om hem wat mentale steun te geven. Wanneer we in de klas zijn valt mijn mond letterlijk open van verbazing. De ene surprise is nog mooier, groter en spectaculairder dan de andere. Er zitten ware kunstwerken bij. Tijs staat wat lullig met het dagboekje in zijn handen. Hij is net als ik overdonderd door al het knutselgeweld. Wanneer hij zijn werk  op de grote tafel legt bij de andere surprises roept een klasgenootje: ‘Ooooohhh, je mocht geen naam op de surprise zetten. Dat moest een verassing blijven. Nu weet iedereen wie je hebt!’

Meer surprise stress

Ik gris het dagboek weer van tafel en zeg met een dreigende blik in mijn ogen tegen het meisje dat ze NIET gezien heeft welke naam er op stond. Gedwee en geschrokken knikt ze. Tijs heeft het ondertussen helemaal gehad en barst bijna in tranen uit. Ik neem hem mee de gang op en zeg geïrriteerd: ‘Hoe moesten wij dit nou weten? Dat had de juf ook wel duidelijk mogen zeggen hoor, dat de namen niet zichtbaar mochten zijn.’

Met een trillip zegt Tijs: ‘Ik wist dat er nog iets in mijn hoofd zat wat ik moest vertellen, maar ik wist niet meer wat. De surprise kwam steeds te voorschijn.’

Met wit papier en plakband van de juf bedek ik haar naam. Tijs is nog steeds van slag en zit witjes en stilletjes aan zijn tafeltje.
Wanneer ik thuis ben plof ik op de bank neer. Ik ben kapot, terwijl het nog geen kwart voor negen is!
En ik vraag me af welke mafketel ooit het fenomeen surprise bedacht heeft.

Beelddenken en zinsontleding

Beelddenken en zinsontleding

Meester wil me deze week na school even spreken. Hij weet niet hoe hij Tijs kan bereiken met zinsontleding,  het ontleden van zinnen. Wat ze nu behandelen is de persoonsvorm en het onderwerp. De meester kan maar niet tot mijn kind doordringen wat het verschil tussen beide vormen is.

Boven mijn hoofd hangt één groot vraagteken. ‘Persoonsvorm? Onderwerp? Wat houdt dat ook al weer in? Help me eens op weg?’

Meester kijkt me verbaasd aan. Ik zie hem denken: ‘Ja, ja, een verhalenschrijfster die niets van ontleden af weet.’

‘Persoonsvorm: ik, hij, tante, moeder, hond etc.? Onderwerp is een voorwerp? Zoals bal, tafel, stoel?’ gok ik.
Meester begint te lachen: ‘En dat is nou precies wat Tijs ook denkt en wat hij consequent fout doet.’
‘Huh? De naam PERSOONsvorm zegt het toch eigenlijk al? Dat zijn toch alle woorden die op personen en dieren slaan?’

Meester knikt opgelucht en bedankt me voor het inzicht dat ik hem zo snel heb kunnen geven. Wanneer hij uitlegt dat in de zin ‘Jantje fietst naar school’, het persoonsvorm ‘fietst’ is en het onderwerp ‘Jantje’ reageer ik verbolgen.
‘Wat is dat nou voor een belachelijke regel. Welke mafketel heeft dit verzonnen? Het is toch logisch dat persoonsvorm met iemand of iets te maken heeft? Ik begrijp helemaal dat Tijs hiervan in de war raakt.’

Meester knikt en begrijpt nu waar het probleem zit.

‘Jij hebt zinsontleding vroeger toch ook moeten leren op school? Heb jij een ezelsbruggetje voor hem? Een plaatje of een beeld, wat hij kan visualiseren in zijn hoofd?’

Ik begin wat schaapachtig te lachen Kom er nu op een ‘harde’ manier achter dat ik niets (meer) weet van ontleden van zinnen. Dus mijn eventuele ezelsbruggetjes ben ik al jaren kwijt, als ik ze al ooit gehad heb. Ik schrijf op gevoel en dat gaat me goed af. Al die stomme regels. Ik word daar écht zo dwars van.

Ik waardeer de inzet van meester wel heel erg. Hij wil er alles aan doen om op een ‘andere’ manier het verschil tussen persoonsvorm en onderwerp aan mijn kind duidelijk te maken.
Onder het eten vertel ik mijn twee mannen over het gesprek met meester. Tijs knikt hard met zijn hoofd, wanneer ik vertel over mijn verwarring tussen persoonsvorm en onderwerp.
‘Dat heb ik precies hetzelfde, mama’, roept hij opgelucht.

Mijn man lacht en zegt: ‘de beelddenkertjes hebben elkaar weer gevonden.’
Tijs en ik geven elkaar een high five en zeuren nog even door over die stomme regels die één of andere malloot ooit bedacht heeft.

Een oplossing

Dan komt mijn man tussen beide: ‘Tja, het is nu eenmaal zo. Accepteer dat nou maar. We kunnen beter op zoek gaan naar een oplossing.’
Mijn kind en ik kijken elkaar aan en schieten in de lach.
Dat is mijn man. Niet zeuren en blijven hangen in iets waar je niets aan kan veranderen. Nee.. dan gaat hij het probleem pragmatisch oplossen, zodat het geen probleem meer is.

Na het eten gaan we met zijn drieën achter de laptop en googelen of er ezelsbruggetjes zijn om onderwerp en persoonsvorm uit elkaar te kunnen halen. En dan komt mijn man met een hele goede:

Persoonsvorm: maak de zin vragend en bijna altijd is het eerste woord de persoonsvorm en het tweede woord het onderwerp.

‘Ja, bijna altijd’, reageer ik met mijn kont tegen de kribbe. ‘En de andere keren dan?’
‘Die paar keer dat het anders is zal Tijs het fout hebben. Jammer dan.’

We nemen de proef op de som:
Jantje fietst naar school. Fietst Jantje naar school?
Fietst is persoonsvorm/Jantje is onderwerp.
Miep houdt van ijs. Houdt Miep van ijs?
Houdt is persoonsvorm/Miep is onderwerp.
We krijgen er lol in en binnen korte tijd hebben Tijs en ik het principe door.

Meester is blij met deze oplossing en zal deze ‘regel’ consequent herhalen tijdens de klassikale lessen en tegen Tijs zelf als het nodig is.

Ik ben benieuwd welke vormen in het zinsontleding we nog allemaal gaan tegenkomen. Opricht vraag ik me af of al die regeltjes zin hebben. Ik gebruik ze in ieder geval niet. Wist niet eens wat persoonsvorm en onderwerp in hield. Maar toch schrijf ik. Ik schrijf volzinnen, maak niet al te veel spelfouten. Schrijf op gevoel. En dat voelt goed. En ach, als ik mijn eigen zinnen niet kan ontleden?  Jammer dan. Die uitdaging laat ik graag aan anderen over.