**//sticky ads code//**
De eerlijkheid van kinderen

De eerlijkheid van kinderen

Op het terras bij de sportvereniging vouwt hij zijn sportbroek op en vallen 6 muntjes van 20 cent uit zijn broekzak op de grond. Ik word afgeleid van mijn gesprek door het gerinkel van de munten op de stenen vloer. Ik kijk naar de munten op de grond en wissel een blik met de eigenaar van die munten. Daarna richt ik me weer tot de persoon met wie ik in gesprek ben.

Mijn zoon staat bij me. Ook zijn aandacht is getrokken door de vallende munten. Hij blijft staan kijken hoe de man zijn munten opraapt. Na een paar minuten trekt hij aan mijn mouw. “Mam, die meneer heeft nog een muntje van 20 cent laten liggen.” fluistert hij. Ik vertel hem dat hij dat misschien wel even tegen die meneer kan zeggen. Maar dat durft hij niet en blijft staan kijken naar de munt. Ik vervolg mijn gesprek maar weet dat hij gebrand is op die munt.

Gevonden

Een paar minuten later sluit zijn oudere zus zich bij ons aan. Wanneer ik klaar ben met mijn gesprek draai ik me naar haar toe. Trots haalt ze haar hand uit haar broekzak en laat mij een muntje van 20 cent zien. “Heej, waar heb je die vandaan?” vraag ik haar. “Die lag daar op de grond.” en ze wijst naar de grond vlakbij de meneer. Ik vertel haar dat ik heb zien gebeuren dat die meneer muntjes had laten vallen en dat dit muntje wellicht ook van hem is. “Hoe voelt het nu voor jou dat jij een muntje van die meneer hebt?” vraag ik haar. “Eigenlijk niet zo fijn” bekent ze. “Wat zou je kunnen doen?” “Terugleggen?” zegt ze met een vragend gezicht. “Dat zou kunnen. Je zou hem ook terug kunnen geven aan de meneer.”

Ze loopt naar de meneer en laat hem het muntje van 20 cent zien. “Deze lag hier op de grond.” zegt ze tegen hem. “Die is dan voor jouw spaarpot” zegt de meneer tegen haar “omdat je zo eerlijk bent.” “Dankjewel” zegt ze tegen de man en loopt trots terug naar ons.

En dan zie ik het gezicht van mijn zoon betrekken. Want ik weet dat hij die 20 cent ook wel had willen hebben. Ik benoem wat ik zie en hij bevestigt mijn woorden. Ik snap zo goed wat er nu door hem heen gaat. Ik zou hem nu 20 cent uit mijn portemonnee kunnen geven, dan is zijn teleurstelling heel snel weg en dan lijkt het probleem opgelost. Maar dat past niet bij mijn visie op opvoeden. Daar kan ik niet achter staan. Hij mag deze teleurstelling doorvoelen. Teleurstellingen horen bij het leven en ik help mijn kinderen niet door teleurstellingen te voorkomen of snel weg te werken.

Dialoog

In plaats daarvan ga ik de dialoog met hem aan. “Jij had het muntje eerst gezien he?” vraag ik hem. Hij bevestigt mijn vraag. “Maar ik durfde hem niet te pakken omdat hij van die meneer was.” “En toen kwam je zus….” “Ja, en toen zei ik dat daar een muntje lag en zij pakte het gewoon!” “Had je haar ook verteld dat dat muntje van die meneer was?” Nee, dat was hij vergeten te vertellen. “En nou mag zij het muntje houden van die meneer en heb ik niks terwijl ik het wel als eerste had gezien.” “Dat snap ik, jij had inderdaad het muntje als eerste gezien. En het voelde voor jou niet oke om dat muntje te pakken omdat je wist dat het van die meneer was. Dat is waarom je het niet durfde. Het is heel goed dat je naar dat gevoel geluisterd hebt. Alleen dat weet die meneer niet.” Ik geef hem een knuffel.

“Mam, mogen we samen bij de bar gaan kijken of we hiervan iets kunnen kopen om op te eten?” vraagt mijn dochter. Zij heeft ondertussen ons gesprekje gevolgd. “Dat vind ik een goed idee” zeg ik hen en samen lopen ze naar binnen. Al snel zijn ze weer buiten met de mededeling dat ze aan de bar niets verkopen voor 20 cent. Jammer.

Weer thuis

’s Avonds thuis zit hij op de bank tv te kijken. Ik ga naast hem zitten en geef hem een muntje van 20 cent uit mijn portemonnee. “Deze is voor jou! Je zus heeft van die meneer het muntje mogen houden voor haar eerlijkheid. En jij mag deze van mij houden omdat jij heel goed wist dat het muntje van die meneer was en het daarom niet goed voor jou voelde als je het zou pakken. Ik vind het fijn dat jij weet wat goed en wat niet goed is en daar ook naar durft te luisteren. Ik weet hoe graag jij dat muntje wilde hebben en ben er trots op dat jouw gevoel van goed en slecht sterker is.”

 

Meer blog van Nicole lees je ook hier

 

Dammen en omgaan met tegenslagen

Dammen en omgaan met tegenslagen

“jaaaa, nou heb ik weer een rotdag!” roept mijn zoon (6 jaar). Boos rent hij naar zijn kamer. Iedere keer wanneer hij een tegenslag krijgt, verliest met een spelletje of niet krijgt wat hij graag wil, zien we dit gedrag bij hem. Ik heb het met hem te doen. Hoe leer ik hem omgaan met tegenslagen.

Ik vind het vervelend voor hem dat zijn beleving over de hele dag negatief is door een teleurstelling aan het eind van de dag. Is het alleen een uitspraak om zijn frustratie te uiten of dat zijn beleving over de hele dag vervelend is?

Ik begrijp heel goed hoe het komt. Negatieve momenten voelen veel groter dan positieve momenten. Aan dat gevoel kan ik niet zo veel veranderen. Wel zijn gedachten erover. Ik besluit dat we hem gaan helpen door voortaan ’s avonds bij het naar bed gaan de dag te evalueren. Dat we allebei dingen gaan noemen die niet fijn waren die dag en daarna dingen gaan noemen die wel fijn waren. Mijn insteek is hem te laten zien dat er op een dag veel meer dingen gebeuren die wel leuk zijn dan die niet leuk zijn. Oefenen in dankbaarheid. Ik geef hem daarvoor een klein schriftje. Elke dag schrijven we aan de linkerkant wat niet fijn was en aan de rechterkant wat wel fijn was. En ik zorg er voor dat er elke dag meer dingen aan de rechterkant staan dan aan de linkerkant.

Hoe leren omgaan met tegenslagen

De weken er na zien we nog weinig verschil in zijn gedrag. Ik merk dat mijn zorgen een beetje groter beginnen te worden. Ik zou het zo fijn voor hem vinden als zijn glas wat vaker half vol voelt in plaats van half leeg. En dat zou ook verschil maken voor de sfeer in huis… en voor mijn gemoed. Ik begin me nu ook zorgen te maken voor later. Hoe zal hij dan om kunnen gaan met grotere teleurstellingen en hoe uit zich dat dan?

Op een gewone zondagochtend staan we samen aan het aanrecht om een brood te bakken. Ik lever de ingrediënten aan en hij weegt alles af. Daarna mag hij alles kneden tot deeg. Het is gezellig in de keuken, ik merk dat hij in een goed humeur is. Wanneer het brood gekneed is leg ik er een theedoek overheen en geef hem de opdracht om het wekkertje aan te zetten voor de wachttijd. Terwijl hij de wekker aan zet vraagt hij: “zullen we een spelletje doen tijdens het wachten”. “Oke, als ik mag winnen” antwoord ik hem. Hij vindt het goed, pakt het dambord en de damstenen en loopt triomfantelijk naar de tafel.

Potje dammen

We zitten tegenover elkaar. Ik heb wit en hij heeft zwart. “Wie mag er beginnen?” vraagt hij. “Zwart begint en wit wint” antwoord ik. Om de beurt schuiven we één van onze stenen naar voren. Dan nadert het moment dat er wel geslagen zal moeten worden. Ik schuif een steen van mij vooruit waardoor hij die steen kan slaan. “haha, ik heb de eerste steen geslagen roept hij”. Wat er dan op het spelbord ontstaat heeft hij denk ik niet voorzien.

Ik kan door zijn slag 3 van zijn stenen weg slaan. Even twijfel ik wat ik zal doen, de sfeer is immers zo gezellig nu en dat wil ik eigenlijk graag zo houden. Zal ik maar één steen terug slaan of pak ik ze alle drie? Maar omdat ik gezegd heb dat ik wil winnen besluit ik ze alle drie te slaan. “Oh, dat wist ik niet dat dat ook kon!” roept hij. “Ik dacht dat dat alleen met een dam mocht!” Ik zie de teleurstelling op zijn gezicht. Heel eventjes maar. Daarna gaat zijn gezicht op neutraal en zegt “oke, dan ben ik nu aan de beurt”.

Deze reactie was wel de laatste die ik had verwacht. Ik vraag hem om het spel even stil te leggen. “Mag ik vragen wat er in jouw hoofd gebeurde toen ik de 3 stenen van jou sloeg?” vraag ik hem. “Ik vond het eventjes niet leuk en toen bedacht ik me dat opa en oma dadelijk bij ons komen lunchen. En dat we vanmiddag naar een feestje gaan en daar ook nog blijven eten dus dat het toch wel een leuke dag zal worden”

Ik voel trots en ontroering door me heen gaan. Ik geef hem een high five en vertel hem dat ik het zo fijn voor hem vind dat het hem gelukt is om met zijn gedachten te bedenken dat wanneer er iets vervelends gebeurt dat een vervelend gevoel geeft maar niet je hele dag verpest hoeft te zijn. Zou het schrijven in het schriftje dan nu zijn vruchten af aan het werpen zijn?

“zullen we dan nu weer verder spelen mam?”