Stilzitten en koppen dicht

Stilzitten en koppen dicht

Deze week deelde ik op mijn Facebook pagina Dyslexie Delft een bericht over jongens in het onderwijs. Het artikel werd maar liefst 731 bekeken!  Ik citeer even een stukje uit het artikel:

‘De jongen’
Hij zit altijd achterin het lokaal, onderuitgezakt, heeft een handschrift dat zich niets aantrekt van de lijntjes in zijn schrift, en heeft zijn huiswerk zelden op orde- al weet je dat niet zeker- want naar eigen zeggen heeft hij het wel gemaakt, maar is hij net die dag zijn huiswerk vergeten.

Uit onderzoek is gebleken dat jongens echt niet dommer zijn dan meisjes.

Wat wel zo is,  is dat jongens meer drang hebben tot bewegen, meer willen experimenteren, zich meer willen laten gelden. Maar waar vroeger gezegd werd, oh dat is gewoon een jongen, wordt nu gezegd: dat is een jongen met een gedragsprobleem. Want in het onderwijs wordt gestreefd naar rust, gehoorzaamheid, samenwerken en overleg. En dat is iets waar meisjes en vrouwen sterker in zijn. En laat nu net de meerderheid van de leerkrachten een vrouw zijn.

Waarom niet naast de instructielessen wat meer beweging, competitie, en praktische werkvormen? Of, zoals een jongen zegt, ‘soms gaat het echt even niet, dan kan ik beter even weggaan, en 5 minuten later weer terugkomen, dan gaat het weer.’

Wat vind ik hier zelf van?

Ik sta zelf niet voor de klas, maar ik kan me goed voorstellen dat het moeilijk is voor de leerkracht als ze een groep luidruchtige jongens heeft en ze haar lesdoelen moet halen.

Maar waarom zou het niet mogelijk zijn om de lesstof op verschillende manieren aan te bieden? Verzin een project.  Ga bijvoorbeeld piramides bouwen met de klas en bouw hieromheen alle taal- en rekendoelen.

Misschien is dit te simpel gedacht? Ik weet het niet, maar het lijkt me zeer zinvol voor de onderwijsinspectie om hierover eens goed na te gaan denken.

Want dat er zoveel jongens zijn met gedragsproblemen, daar geloof ik niks van.

beeld: boysballet

Persoonlijk

Persoonlijk

Bijna alles wat ik lees op ‘De leukste kinderen’ brengt herkenning met zich mee bij mij. Zojuist las ik het artikel van Carola over de Davis Methode. Natuurlijk bracht dit herkenning met zich mee. Ik werk immers met de Davis Methode en weet heel goed dat een counseling het zelfvertrouwen in eigen kunnen terugbrengt bij een kind, alsmede ook het leesplezier. Bij een counseling volgt een kind zijn eigen pad, op zijn eigen manier, waarbij de counselor eigenlijk voornamelijk volgt en begeleidt.

Een treffend voorbeeld heb ik van een meisje van 12 dat ik begeleid heb met dyscalculie: “Eigenlijk snap ik deze sommen wel… Maar dat komt niet door jou hoor!” Tja, ik vond het een mooi compliment.
Maar wat niet alleen herkenning met zich meebracht, maar ook ontroering, was de site van Carola. In het stukje over zichzelf vertelt ze haar verhaal over hooggevoeligheid, en hoe ze letterlijk ziek werd van alle prikkels. Ik vond het zo herkenbaar. Ik heb mezelf ook altijd “anders gevoeld dan anderen”. Het liefst zat en zit ik thuis, met een kopje thee en een boek. En ik ben ook graag alleen, om me weer op te laden. Ik vond mezelf altijd een beetje suf, niet van deze tijd. Dus ik deed mee met uitgaan, concerten, feestjes, stedentrips.. Eigenlijk alle dingen die mensen doen als ze een leuke tijd willen hebben. Maar ik, ik zit het liefste thuis. Even voor de goede orde: ik doe echt wel leuke dingen! Maar ik kom ook heel graag weer thuis.

Het afgelopen jaar heb ik heel hard gewerkt. Op mijn werk als zorgbegeleider bij een aantal voorscholen ben ik de spin in het web. Prachtig en dankbaar werk, maar wel een baan met veel prikkels. Dus ik heb een beslissing genomen. Ik heb besloten om te stoppen met mijn werk op de voorscholen en me te richten op mijn praktijk. Ik ga mijn energie stoppen in het begeleiden van kinderen met dyslexie. Hiermee help ik mezelf en de kinderen. Want van een teveel aan prikkels, word ik heel moe en kan ik mijzelf niet meer voor 100% openstellen voor de kinderen. En dat is nodig, want alleen dan kan je maatwerk.

Ps. En ook heb ik een hond genomen!

 

Help,  ik heb dyslexie en ik moet een werkstuk maken!

Help, ik heb dyslexie en ik moet een werkstuk maken!

Op iedere school moeten kinderen werkstukken maken. Soms wel twee werkstukken, een boekbespreking en een presentatie in een jaar. Best wel veel voor een kind met dyslexie, want dit betekent veel lezen en schrijven.

In mijn praktijk zie ik veel kinderen die enorm opzien tegen het maken van een werkstuk of boekbespreking. Natuurlijk zien ze al op tegen al het leeswerk, dat als eerste. Maar dyslectische kinderen zijn ook voor het merendeel beelddenkers. En die denken anders. Dyslectici hebben een sterke voorkeur voor het denken via zijn rechterhersenhelft. Dus via het maken van beelden, het leggen van verbanden en structuren, het hebben van allerlei associaties.

Van de rechterhersenhelft is bekend dat deze verantwoordelijk is voor o.a. onze verbeelding, de intuïtie, het onderbewustzijn en onze creativiteit. Maar ook voor het leggen van verbanden, het meerdere dingen tegelijk kunnen doen en het snel kunnen scannen en verwerken van informatie en van het omgaan met nieuwe situaties. Dat zijn hele andere eigenschappen dan die eigenschappen waarvoor de linkerhersenhelft verantwoordelijk is, namelijk het logisch redeneren, het analyseren van situaties, systematiek aanbrengen, het stap voor stap iets aanpakken en het aanbrengen van routine in dagelijkse vaardigheden. De linkerhersenhelft is ook verantwoordelijk voor de taal.

Laten we een mooi voorbeeld nemen van een meisje dat een werkstuk moet maken over, laten we zeggen, Anne Frank. Ze heeft heel veel met haar ouders gepraat over het onderwerp, boeken (met plaatjes) erover gelezen, is naar de theatervoorstelling geweest… Kortom, ze weet er heel veel van. Maar hoe begin je nu?  Beelddenkers zitten midden in het verhaal en stap voor stap iets aanpakken is heel lastig. En dan moet je het ook nog opschrijven.

Ik laat de kinderen altijd beginnen met het maken van een mindmap of een woordweb. Wat vind je belangrijk om het over te hebben, wat komt er in je op?

        En dan, waar begin je mee? Wat moet ik, als lezer, het eerste weten?

Wat ik eigenlijk alleen maar doe, als begeleider, is vragen stellen. Leg het mij maar uit, zodat ik het snap.  Als het antwoord gegeven is, gaan we (het kind, de begeleider, of samen) het direct opschrijven. Het liefst op de computer, met spellingcontrole. En natuurlijk met plaatjes.

Op deze manier wordt het maken van een werkstuk (bijna) een leuk werkje!

“Terror”peuter

“Terror”peuter

Ik weet niet of het jullie opgevallen is, maar ik kwam het de laatste tijd overal tegen: het verhaal van schrijfster Femke Sterken. In de tijdschriften, op de televisie..
En ik ben zo benieuwd wat jullie hier van vinden, van de strijd in de peuterpuberteit.

Voor degenen die het gemist hebben: schrijfster Femke Sterken heeft samen met Barbara van Erp het boek Dit is het boek voor ouders met een leven geschreven. Uitgebreid beschrijft ze alle dingen waar ze tegenaan loopt met een eigenwijze peuter, van het tot drie keer weggooien van zijn eten tot het terroriseren van andere kindjes. En gewoon NEE, NEE, NEE.

En wat vind ik ervan? Als ik het lees en aanhoor, kan ik niets anders doen dan het te beamen. Ja, het is zeer realistisch en herkenbaar. Mijn jongste, nu alweer 16, was ook zo’n peuter. Thuis wilde hij niets, niet eten, niet slapen, niet met grote broer spelen… En huilen, brullen, krijsen als het niet ging zoals hij dat wilde. Ook op de peuterspeelzaal staat 1 dag me nog heel duidelijk bij: de peuterjuf nam me bij het ophalen even apart en zei dat Aiden zo agressief was geweest naar de andere kindjes toe. Bijten, schoppen, slaan… Ik kon wel huilen…

Ook op de peuterspeelzaal horen en zien we het dagelijks. Peuters die totaal hun eigen gang willen gaan, hun grenzen enorm aan het opzoeken zijn. Maar er zijn ook peuters die zich op de speelzaal  naadloos aanpassen aan de regels die er zijn, en die thuis een enorme draak kunnen zijn.  Eigenlijk is het zo dat de peuter erom  vraagt: geef me duidelijke regels en grenzen, want dat heb ik nodig om te kunnen groeien. En dat is iets wat ik mijn collega’s ook vaak hoor verzuchten: het zijn peuters, geen baby’s meer, behandel ze ook zo. Leer ze regels en grenzen, hoe vermoeiend dat ook is.

Als schrijvende kom ik zelf nu tot de conclusie dat de peuterperiode toch echt wel een erg vermoeiende is, en dat ik de stukjes van Femke volledig onderschrijf.

Maar toch…  ik kan er niet onderuit dat mijn gevoel ook heel erg zegt: ze zijn ook zo ontzettend leuk en eigen, die peuters! Kan dit ook niet wat meer benadrukt worden???

(zeker als je kinderen ondertussen 16 en 23 zijn J)

Ps. Ben heel benieuwd naar jullie meningen!

Peuters: spelen is leren?

Afgelopen maandag zijn in Zuid-Holland de scholen en peuterspeelzalen weer begonnen. En dat betekent dat ik als zorgcoördinator van een aantal voorschoolpeuterspeelzalen ook weer ben gestart.
En dan zie je na zes weken vakantie de peuters weer binnenkomen.  En wat doen ze? Ze gaan direct aan het spelen!

Spelen

Bijzonder, maar het is wel wat peuters horen te doen, spelen. Spelen in de poppenhoek, in de bouwhoek, op het schoolplein, in de leeshoek.  Overal eigenlijk waar ze materiaal voorhanden hebben waarmee ze kunnen ontdekken.. En ontdekken doen ze door te spelen… En door te spelen leren ze…

Waar ik werk, op een voorschoolpeuterspeelzaal, wordt er gewerkt met een speciale speelleermethode waarbij aan alle ontwikkelingsgebieden aandacht wordt besteed. Speciale aandacht hebben we voor de taal en sinds dit jaar ook voor het rekenen.

Ik ben echt wel voor dit soort methodes, het is ook mijn werk tenslotte, en ik zie ook echt dat de resultaten positief zijn. Maar… ik ben wel van mening dat we niet alles moeten ophangen aan een methode.

Een peuter speelt, en hoort ook te spelen. Dit moet altijd het uitgangspunt zijn. Als juf (en ook als ouder) hebben we de taak om dit gegeven te gebruiken en hier op aan te sluiten.

Een mooi voorbeeld heb ik vandaag weer gezien. Een jongetje van 3 jaar zat aan tafel met een hele berg speelgoedolifanten. Er waren grote olifanten, middelgrote, en kleine olifanten. De jongen had de grote olifanten al op een rijtje staan, en een aantal van de kleine olifanten ook. Met de middelste olifanten had hij nog niets gedaan. Op mijn vraag wat hij aan het doen was, zei hij: “Dit zijn de grote olifanten, en dit zijn de kleine olifanten.” Op mijn vraag : “Maar wat zijn deze olifanten (de middelste) dan?”, keek hij een beetje verward. “Zijn ze even groot als deze? (de kleine olifanten) of deze (de grote olifanten)”? Vervolgens ging hij meten. “Nee”, niet even groot”.  Daarna ging ik het spel verbreden: “Ik denk dat er een papa olifant is, een mama olifant en een kindje olifant.” Direct pakte het jongetje de middelste olifanten en ging proberen waar deze in de rij pasten. In het midden!

“Ja!” “De mama olifant moet in het midden!” Geweldig, wat een ontdekking! En weer heel veel geleerd, want dit valt onder het ontwikkelingsgebied ontluikende gecijferdheid.

Wat ik hiermee wil zeggen, is dat als je als juf en als ouder een beetje aansluit bij wat je peuter aan het doen is met zijn spel, met hem in gesprek gaat hierover, dat je eigenlijk je peuter het beste “lesje” geeft dat er is. En het is zo leuk!